ECLI:NL:RBDHA:2025:22976

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL25.23257
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag en terugkeerbesluit niet-ontvankelijk, beroep tegen inreisverbod ongegrond

Eiser diende op 22 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 15 mei 2025 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.

Tijdens de zitting van 17 juli 2025 werd het onderzoek gesloten, maar na ontvangst van een verklaring van vrijwillige terugkeer naar Colombia op 14 augustus 2025 door eiser, werd het onderzoek heropend. De rechtbank vroeg partijen te reageren op de gevolgen van deze vrijwillige terugkeer voor de procedure.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit, aangezien eiser vrijwillig is vertrokken en heeft ingestemd met beëindiging van verblijfsprocedures. Het beroep tegen het inreisverbod is ontvankelijk, maar ongegrond omdat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het inreisverbod.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk; het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft voor zover het beroep is gericht tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag en het opgelegde terugkeerbesluit en dat het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk is. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod van twee jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
2.3.
Bij brief van 13 oktober 2025 heeft de minister de rechtbank laten weten dat eiser inmiddels vrijwillig naar Colombia is teruggekeerd en heeft daarbij een door eiser ondertekende verklaring “vrijwillig vertrek uit Nederland” overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en de gemachtigde van eiser verzocht aan te geven welke gevolgen deze verklaring van eiser volgens hem heeft voor de onderhavige procedure.
2.5.
De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 31 oktober 2025.
2.6.
Partijen zijn akkoord gegaan met een uitspraak zonder nadere zitting. [2] De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van de minister over procesbelang
3. Bij de brief van de minister van 13 oktober 2025 verzoekt de minister de rechtbank om te beoordelen of eiser nog procesbelang heeft. De minister wijst op een bericht van 14 augustus 2025 van het International Organization for Migration (IOM) waaruit blijkt dat eiser met behulp van deze organisatie op die datum vrijwillig is teruggekeerd naar Colombia. Uit de door eiser ondertekende verklaring “vrijwillig vertrek uit Nederland” van 14 augustus 2025 volgt dat eiser ermee instemt dat alle lopende procedures ter verkrijging van een verblijfstitel worden beëindigd, behalve procedures tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod.
De reactie van eiser over procesbelang
4. De gemachtigde van eiser betoogt dat het beroep voor zover het zich richt tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard, maar dat zij het beroep voor zover het zich richt tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet zal intrekken omdat eiser daar wel procesbelang bij heeft en dat de rechtbank daarover een oordeel moet geven. Zij verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 1 oktober 2024. [3]
Ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van eisers asielaanvraag
5. De rechtbank is, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [4] , van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van zijn asielaanvraag. Uit de eerdergenoemde vertrekverklaring blijkt immers dat eiser met behulp van het IOM vrijwillig is vertrokken naar Colombia en dat eiser met de ondertekening van deze verklaring ermee heeft ingestemd dat nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser niet langer aanspraak wenst te maken op een verblijfsvergunning asiel.
5.1
Het beroep van eiser, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van zijn asielaanvraag, moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het terugkeerbesluit
6. Het bestreden besluit van 15 mei 2025 omvat ook een terugkeerbesluit. De rechtbank constateert dat eiser daartegen geen gronden heeft gericht en oordeelt dat eiser met zijn vrijwillige vertrek naar Colombia uitvoering heeft gegeven aan dit terugkeerbesluit waardoor hij geen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid daarvan.
6.1.
Het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het terugkeerbesluit, moet daarom eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod
7. In het bestreden besluit heeft de minister eiser ook een inreisverbod opgelegd van twee jaren. Het inreisverbod betekent dat eiser twee jaar de EU niet meer kan inreizen. Daarmee heeft eiser procesbelang voor zover zijn beroep zich tegen dit inreisverbod richt. In zoverre is het beroep tegen het inreisverbod dan ook ontvankelijk.
7.1
De rechtbank constateert echter dat eiser geen gronden heeft gericht tegen het inreisverbod, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister aan eiser ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd.
7.2
Het beroep tegen het inreisverbod is daarom ongegrond.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en tegen het terugkeerbesluit. Voor zover het beroep zich richt tegen het inreisverbod is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag en tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit kan op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4014.