ECLI:NL:RBDHA:2025:22975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.6906
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.51 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 EVRMArt. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 26 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken van procesbelang bij uitstel van vertrek

Eiseres, van Ghanese nationaliteit, had uitstel van vertrek gekregen vanwege haar medische situatie, waaronder hypertensie en nierschade met dialyse. Hoewel zij bezwaar maakte tegen de ingangsdatum van dit uitstel, verleende de minister haar later een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met medische behandeling als beperking.

De rechtbank beoordeelde of eiseres belang had bij haar beroep. Verweerder stelde dat het beroep geen zin had omdat de verblijfsvergunning niet met een eerdere ingangsdatum kan worden verleend en deze datum in rechte vaststaat. Eiseres betoogde dat zij wel belang had vanwege mogelijke toekomstige verslechtering van haar medische toestand, wat invloed kan hebben op haar verblijfsrecht.

De rechtbank oordeelde dat het belang van eiseres niet actueel en reëel is, omdat de toekomstige gebeurtenissen onzeker zijn, zoals verslechtering, wachtlijstplaatsing, niertransplantatie en de noodzaak van medische behandeling. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.6906
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige vreemdelingenkamer in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] 1962, van Ghanese nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 26 januari 2024 (het bestreden besluit). Met dat besluit is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Aan eiseres is uitstel van vertrek verleend [2] , van 12 juli 2022 tot 12 juli 2023, met een verlenging van 12 juli 2023 tot 12 juli 2024. Eiseres is het niet eens met de ingangsdatum van het aan haar verleende uitstel van vertrek.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het griffierecht
2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank ziet aanleiding om dat verzoek toe te wijzen, zodat zij in deze procedure is vrijgesteld van deze verplichting.
Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
Achtergrond
3. Eiseres heeft op 28 augustus 2019 een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek. Eiseres is onder andere bekend met een verhoogde bloeddruk (hypertensie) die heeft geleid tot nierschade waarvoor sinds enige tijd dialyse plaatsvindt.
3.1.
Nadat de aanvraag van eiseres eerst is afgewezen met het besluit van 24 november 2020, heeft verweerder met het bestreden besluit van 26 januari 2024 wel uitstel van vertrek aan eiseres verleend.
3.2.
Met het besluit van 1 november 2024 is vervolgens aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ verleend, geldig van 12 juli 2024 tot 12 juli 2025. Deze verblijfsvergunning is met het besluit van 10 juni 2025 verlengd tot 12 juli 2026. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat die in rechte vaststaan.
Heeft eiseres belang bij de beoordeling van haar beroep [3] ?
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres belang bij de beoordeling van haar beroep heeft. Er is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Met andere woorden: de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, dan is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de eventuele principiële betekenis daarvan.
4.1.
Volgens verweerder heeft eiseres geen procesbelang, omdat aan haar op 1 november 2024 de in overweging 3.2 genoemde verblijfsvergunning is verstrekt. Eiseres kan met haar beroep niet bereiken dat deze verblijfsvergunning een eerdere ingangsdatum krijgt. Deze verblijfsvergunning kan immers niet vóór de aanvraagdatum worden verleend [4] en daarnaast staat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning in rechte vast. Verweerder verwijst naar uitspraken van de Afdeling [5] van 17 februari 2023 [6] en 24 december 2019 [7] en de onderliggende uitspraken.
4.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel procesbelang heeft. Eiseres kan namelijk bijna een verblijfsvergunning vragen op grond van artikel 3.51, eerste lid onder b van het Vb [8] . Volgens dat artikel moet uitzetting van de vreemdeling op grond van artikel 64 van Pro de Vw gedurende een jaar achterwege zijn gebleven en moet de vreemdeling twee jaar houder zijn van een verblijfsvergunning wegens medische behandeling, voor zover die medische behandeling naar het oordeel van verweerder gedurende nog één jaar in Nederland noodzakelijk zal zijn. Het is echter een reëel scenario dat de situatie van eiseres verslechterd, de dialyse niet meer voldoende is en eiseres op een wachtlijst wordt geplaatst voor een nieuwe nier. Als eiseres een nieuwe nier krijgt, dan zal een nieuw medisch advies komen en – zo begrijpt de rechtbank – kan het zo zijn dat medische behandeling naar het oordeel van verweerder niet ten minste nog één jaar in Nederland noodzakelijk zal zijn. Eiseres zal dan niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid onder b van het Vb. Zij zal dan een aanvraag moeten doen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [9] . Het belang van eiseres is dus niet gelegen in een wens om de ingangsdatum van de onder 3.2 genoemde verblijfsvergunning regulier te wijzigen, maar is gelegen in een mogelijke aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Dan is wel degelijk van belang wanneer het rechtmatig verblijf van eiseres is begonnen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij haar beroep. Er is namelijk sprake van meerdere onzekere toekomstige gebeurtenissen, zodat niet kan worden gesproken van een actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Zo is het niet zeker dát de medische situatie van eiseres vóór 12 juli 2027 verslechterd, dat zij als gevolg daarvan op een wachtlijst wordt geplaatst voor een nieuwe nier, een nieuwe nier ontvangt, en de medische situatie dan tot slot dusdanig is dat behandeling in Nederland niet langer noodzakelijk zal zijn en eiseres daarom niet in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder b, van het Vb.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Belhadi, griffier
.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Ook wel procesbelang genoemd.
4.Gelet op het bepaalde in artikel 26 van Pro de Vw.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Vreemdelingenbesluit 2000.
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.