Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:22955

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.32749
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 32 VisumcodeAlgemene wet bestuursrechtArrest HvJ EU 19-12-2013 (Koushkaki tegen Duitsland)ECLI:NL:RVS:2022:1918
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om zijn neef te bezoeken, welke door de minister is afgewezen wegens twijfel over zijn voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko. De minister stelde dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Marokko had aangetoond. Eiser maakte bezwaar en stelde onder meer dat hij een gezin vormt met zijn moeder en zus en dat hij werkzaam is als agrariër, maar kon dit niet met objectieve bewijsstukken onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig zal terugkeren. De stelling dat eiser een gezin vormt met zijn moeder en zus werd niet onderbouwd en het voorgenomen huwelijk was recent en kon niet bijdragen aan de binding. Ook de economische binding werd onvoldoende bewezen, ondanks bankafschriften en foto’s, omdat deze niet aantonen dat het inkomen voortkomt uit agrarische werkzaamheden.

Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister alsnog op het bezwaar had beslist. De rechtbank vond dat de minister terecht van horen heeft afgezien omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of stukken bevatte die tot een ander besluit zouden leiden. De afwijzing van de visumaanvraag blijft daarmee in stand en eiser krijgt een vergoeding van proceskosten voor het terecht ingestelde beroep tegen het niet-tijdig beslissen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.32749
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1981, met de Marokkaanse nationaliteit,

eiser (gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en

de minister van Buitenlandse Zaken,

(gemachtigde: mr. W.A.M. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om zijn neef te bezoeken. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2024 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 april 2024. Op 20 augustus 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen van de minister op zijn bezwaar.
2.2.
Met het bestreden besluit van 23 augustus 2024 heeft de minister alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb [1] heeft het door eiser ingestelde beroep tegen het niet-tijdig beslissen mede betrekking op het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de neef van eiser (referent) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar
3. De rechtbank stelt vast dat de minister met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Hierdoor heeft eiser geen belang meer bij het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar. Omdat het procesbelang hiermee is komen te vervallen, wordt het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar is echter wel terecht ingesteld, omdat de minister inderdaad niet tijdig op eisers bezwaar heeft beslist. De minister moet daarom wel de proceskosten van eiser vergoeden, voor zover deze zien op het instellen van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen.
Het beroep tegen het bestreden besluit
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf afgewezen, omdat er twijfel bestaat over het voornemen van eiser om vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum weer terug te keren naar Marokko. De sociale en economische binding van eiser met Marokko is namelijk onvoldoende aangetoond, dan wel gering gebleken. Omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren, wordt er in het verlengde daarvan ook getwijfeld aan de juistheid van het door eiser opgegeven doel en omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf. Omdat eiser in bezwaar geen informatie heeft aangedragen die tot een andere conclusie noopt, is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De minister heeft eiser daarom ook niet gehoord.
Juridisch kader
4.1.
Op grond van artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii), van de Visumcode, is de minister verplicht een visum te weigeren indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.
4.2.
In artikel 32, eerste lid, onderdeel b van de Visumcode, staat dat de minister ook verplicht is om een visum te weigeren als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland of een van de andere lidstaten wil vestigen: bij redelijke twijfel hierover moet de minister de visumaanvraag afwijzen. Bij het onderzoek of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten op tijd weer te verlaten, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe. [2] De minister mag bij zijn beoordeling betrekken of de aanvrager van een visum voldoende economische en sociale binding heeft met het land van herkomst om een tijdige terugkeer te waarborgen.
Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt?
5. Eiser voert aan dat hij zijn sociale binding met Marokko wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser woont samen met zijn moeder, die weduwe is. Daarnaast heeft hij een zeer hechte band met zijn ongehuwde zus. Zij vormen gezamenlijk een gezin. Hij ondersteunt hen beiden financieel. Ook is eiser opgegroeid in Marokko en heeft hij zijn sociale leven daar. Op de zitting heeft de neef van eiser nog aangevuld dat eiser zich recent heeft verloofd en dat hij volgende zomer in het huwelijk zal treden.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser een alleenstaande volwassen man is zonder eigen gezin waar hij verantwoordelijkheid voor draagt en waarnaartoe hij moet terugkeren. Eisers stelling, dat hij een gezin vormt met zijn moeder en zus en dat hij financieel verantwoordelijk voor hen is, heeft hij niet onderbouwd. Dat eiser is opgegroeid in Marokko en een sociaal leven heeft daar, heeft de minister onvoldoende mogen achten om een tijdige terugkeer te waarborgen. Voor wat betreft het gestelde voorgenomen huwelijk van eiser geldt dat dit een recent feit is en dit niet kan bijdragen aan het standpunt van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt?
6. Eiser voert aan dat hij zijn economische binding met Marokko wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt. In tegenstelling tot wat de minister stelt, beschikt eiser wel over een regelmatig en substantieel inkomen. Eiser is namelijk werkzaam als agrariër. Ter onderbouwing van zijn werkzaamheden heeft hij een
attestationover zijn werkstatus en bankafschriften overgelegd. Uit deze twee bewijsstukken samen volgt dat eiser agrarische werkzaamheden verricht en dat hij hiervoor geld op zijn bankrekening ontvangt. Bovendien heeft hij ook foto’s overgelegd van zichzelf, waarop hij op zijn land aan het werk is. Eiser benadrukt in het kader van deze bewijsstukken dat het in Marokko gebruikelijk is dat betalingen contant gedaan worden en dat er geen facturen worden gestuurd. Eiser werkt als zzp’er en is ook niet belastingplichtig. Het is daarom lastig voor hem om met objectieve stukken te bewijzen dat hij inkomen geniet als landbouwer. Met de
attestation, de bankafschriften en de foto's heeft eiser in ieder geval een begin van bewijs geleverd. Als deze stukken voor de minister onvoldoende waren, dan lag het op de weg van minister om eiser om aanvullende stukken of een nadere toelichting te vragen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Bij de beoordeling van de
attestationheeft de minister mogen betrekken dat deze is afgegeven op basis van eisers eigen opgave en dat dit dus geen objectief bewijsstuk is voor eisers werkzaamheden als agrariër. Ten aanzien van de bankafschriften heeft de minister mogen stellen dat hier weliswaar geldstortingen op zijn te zien, maar dat niet kan worden opgemaakt waar deze stortingen vandaan komen of dat deze het gevolg zijn van agrarische werkzaamheden. Noch afzonderlijk, noch in samenhang bezien volgt uit deze stukken dat eiser beschikt over een substantieel en regelmatig inkomen als agrariër. Ook de foto’s die eiser van zichzelf heeft overgelegd geven hier geen blijk van.
6.2.
Ten aanzien van eisers stelling dat hij in bewijsnood verkeert, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft bankafschriften overgelegd waarop volgens hem te zien is dat hij inkomsten geniet als agrariër. De rechtbank volgt daarom niet dat de bewijsnood van eiser eruit zou bestaan dat de meeste betalingen in Marokko contant gedaan worden en dat er niet met facturen wordt gewerkt. Dat eiser niet belastingplichtig is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om bewijsnood ten aanzien van zijn economische activiteit aan te nemen die tot gevolg zou moeten hebben dat er een visum kort verblijf moet worden verstrekt.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiser moeten horen in bezwaar?
7. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser heeft meerdere bewijsstukken ingebracht over zijn agrarische onderneming. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser te horen over welke aanvullende stukken en informatie nog van hem verwacht werden.
7.1.
Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling [3] een (overzichts)uitspraak [4] gedaan over de hoorplicht in asiel- en migratiezaken. Daarin wijst de Afdeling erop dat volgens de wetgever het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de gronden waarop van horen kan worden afgezien terughoudend moeten worden toegepast. De Afdeling overweegt ook dat de plicht om te horen in bezwaar is afhankelijk is van wat een betrokkene in bezwaar heeft aangevoerd. Van horen kan worden afgezien als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit is bijvoorbeeld het geval als het bezwaar niet is onderbouwd of alleen een herhaling van zetten bevat.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan heeft mogen afzien eiser te horen in bezwaar. De stukken die eiser in bezwaar heeft overgelegd had hij ook al bij zijn aanvraag overgelegd. De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat de minister deze stukken onvoldoende heeft mogen vinden om eisers sociale en economische binding aannemelijk te maken. In bezwaar heeft eiser foto’s van zichzelf overgelegd. Zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen eiser ook met deze foto’s zijn economische en sociale binding niet aannemelijk heeft gemaakt. De foto’s vormden daarmee geen nadere onderbouwing van eiser standpunt in bezwaar. De minister hoefde daarom in wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd geen aanleiding te zien om hem te horen.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang is komen te vervallen. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf in stand blijft.
9. Eiser krijgt een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar door de minister, omdat hij dit beroep terecht heeft ingediend. De rechtbank stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 (Koushkaki tegen Duitsland), ECLI:EU:C:2013:862, onder 55 - 63.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.