ECLI:NL:RBDHA:2025:22933

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.22049
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 VwArt. 8.7 VbArt. 8.13 VbArt. 8.15 VbArt. 3 Richtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verblijfsdocument ongehuwde partner EU-burger vanuit buitenland

Eiseres, van Chinese nationaliteit, heeft een langdurige relatie met een Portugese EU-burger woonachtig in Nederland. Na verblijf in Nederland keerde zij in 2022 terug naar China, waar zij een verblijfsdocument EU/EER aanvraagt als ongehuwde partner van de EU-burger. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres zich niet in Nederland bevindt en stelde dat de duurzame relatie niet was aangetoond.

De rechtbank oordeelt dat het verblijfsrecht op grond van EU-recht ook kan bestaan als de partner zich buiten Nederland bevindt en dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een duurzame relatie. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd en de overgelegde bewijsstukken buiten beschouwing gelaten.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, beveelt een nieuwe beslissing met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met opdracht tot hernieuwde toetsing.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22049 [V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres]
geboren op [geboortedatum] 1967, van Chinese nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. A.H. Diels), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen de weigering haar een verblijfsdocument te verstrekken als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw1 waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt voor het doel: familielid van een burger van de Unie als ongehuwde partner van de heer [naam partner] .
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met het primaire besluit van
11 december 2023. Met het bestreden besluit van 26 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
De zaak is met partijen besproken op een zitting op 26 augustus 2025. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiseres, de heer [naam partner] en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het geschil
2. Eiseres heeft de Chinese nationaliteit en verblijft momenteel in China. Eiseres heeft naar eigen zeggen vanaf 2008 een relatie met de heer [naam partner] , een Unieburger met de Portugese nationaliteit, woonachtig in Nederland. Volgens eiseres woonde zij vanaf ongeveer eind 2015 tot november 2022, met uitzondering van de periode januari 2016 tot oktober 2017, met de heer [naam partner] samen in Nederland. Eiseres heeft in Nederland nooit een verblijfsvergunning of een ander verblijfsdocument gehad of aangevraagd. Op 16 november 2022 is eiseres teruggekeerd naar China om naar eigen zeggen een ongehuwdverklaring aan
1. Vreemdelingenwet 2000.
te vragen. Bij haar vertrek is aan haar op Schiphol een terugkeerbesluit uitgevaardigd en later, op 21 december 2022, ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.1.
Eiseres heeft op 28 april 2023 een facilitair visum aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen en het bezwaarschrift tegen de afwijzing is op 23 januari 2024 ongegrond verklaard. Die beslissing op bezwaar steunt op de overweging van verweerder dat een deugdelijk bewezen duurzame relatie tussen eiseres en de heer [naam partner] niet is aangetoond. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
2.2.
Eiseres heeft op 21 juni 2023 vanuit China een aanvraag gedaan om een verblijfsdocument EU/EER. Deze aanvraag ligt voor in de onderhavige procedure. Bij de aanvraag heeft eiseres overgelegd: een samenlevingscontract, een ongehuwdverklaring, van de heer [naam partner] , een arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring en salarisspecificaties, verder ook chatgeschiedenis met de heer [naam partner] en foto’s van hen samen.
Besluitvorming
3. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen. Een EU- verblijfsdocument is slechts een bevestiging van een van rechtswege in Nederland verkregen verblijfsrecht. Volgens verweerder kan dit verblijfsrecht alleen bestaan indien eiseres zich in Nederland bevindt. Eiseres is niet in Nederland en heeft ook nooit op grond van het EU- recht in Nederland verbleven. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hierbij verklaringen overgelegd van de heer [naam partner] en vrienden, aanvullende foto’s en chatgeschiedenis vanaf 2020.
3.1.
In het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder stelt dat in de onderhavige procedure niet toegekomen wordt aan het toetsen of sprake is van een duurzame relatie, omdat de aanvraag volgens verweerder al afgewezen kan worden op de grond dat eiseres geen hoofdverblijf in Nederland heeft. Verweerder verwijst hiervoor naar artikelen 8.13, eerste lid, en 8.7 van het Vb2 en artikel 3 van Pro de Richtlijn 2004/38/EG. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat in de procedure over het facilitair visum al is vastgesteld dat de familierechtelijke relatie niet is aangetoond. Dat eiseres al van rechtswege rechtmatig verblijf heeft op grond van het EU-recht en door vele jaren verblijf bij de heer [naam partner] volgt verweerder niet, omdat een duurzame relatie nooit is vastgesteld. De door eiseres in bezwaar overgelegde stukken ter onderbouwing van de gestelde relatie laat verweerder buiten beschouwing omdat niet wordt toegekomen aan de toetsing van de duurzame relatie in deze procedure.
De beroepsgronden van eiseres
4. Eiseres voert aan dat zij meer dan vijf jaar heeft samengewoond met de heer [naam partner] en op basis van dit samenwonen, op grond van het EU-recht van rechtswege een verblijfsrecht heeft. Verder blijkt volgens eiseres uit zowel de Nederlandse regelgeving als uit de Richtlijn 2004/38/EG niet dat het verblijfsrecht alleen van rechtswege bestaat indien eiseres zich in Nederland bevindt. Uit de bewoording in de wet en de richtlijn ‘die hem begeleiden, of bij hem voegen’ blijkt dat het recht ook ontstaat voor begunstigden die zich buiten de EU bevinden en zich bij een burger van de Unie willen voegen. Volgens eiseres ligt ter toetsing
2 Vreemdelingenbesluit 2000.
voor of sprake is van een deugdelijke bewezen duurzame relatie. Eiseres benadrukt dat zij meer dan vijf jaar in Nederland heeft verbleven en daarom aan artikel 8.13 van het Vb verblijfsrecht ontleend. Tot slot heeft eiseres gronden aangevoerd ter onderbouwing van de relatie met de heer [naam partner] .
Het standpunt van verweerder
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet toekomt aan de toets of sprake is van een deugdelijk duurzame relatie, omdat eiseres in het buitenland is. Die toets dient volgens verweerder plaats te vinden in de procedure over het facilitair visum. Verweerder wijst erop dat artikel 8.7 lid 4 van het Vb de ongehuwde partner noemt die een deugdelijk bewezen relatie heeft met de Unieburger en hem naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt. De zinsnede ‘of zich bij hem in Nederland voegt’ ziet volgens verweerder niet op een toekomstige gebeurtenis. Het gaat volgens verweerder niet om de partner die zich bij de burger van de Unie wil voegen.
5.1.
Verder wijst verweerder op artikel 8.13, eerste lid, van het Vb, waarin is bepaald dat een familielid in de zin van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland heeft, voor zover hij in Nederland verblijft bij een rechtmatig verblijvende Unieburger. Daarnaast is in artikel 8.13, tweede lid, van het Vb bepaald dat het derdelands familielid dat beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven, zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de vrije termijn (van artikel 8.11 lid 2 van het Vb) moet melden en een verblijfsdocument moet aanvragen. Hieruit volgt volgens verweerder dat een verblijfsdocument enkel kan worden afgegeven aan derdelands familieleden die zich in Nederland bevinden. Daarbij wijst verweerder ook op praktische omstandigheden: het document kan alleen in Nederland worden opgehaald en hiervoor moet een fysieke afspraak gemaakt worden bij de balie.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsing duurzame relatie
7. Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb kan een ongehuwde partner van een Unieburger een aanvraag voor afgifte van een EU/EER document doen als zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben. In dit geval verschillen partijen van mening of eiseres deze aanvraag kan doen vanuit het buitenland en of verweerder in dat kader moet beoordelen of sprake is van een deugdelijke duurzame relatie.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag niet al heeft kunnen afwijzen op het punt dat eiseres zich niet in Nederland bevindt. Niet in geschil is dat de heer [naam partner] valt onder de definitie van artikel 3 van Pro de richtlijn 2004/38/EG en artikel 8.7 eerste lid van het Vb. Dat betekent dat als sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie, eiseres van rechtswege een declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft. Een eenmaal verworven EU-verblijfsrecht vervalt niet door uitreis, maar pas na verblijf buiten de Unie gedurende een bepaalde periode, zoals neergelegd in artikel 8.15 van het Vb. Verder is de rechtbank van oordeel dat praktische zaken die spelen in het daadwerkelijk afgeven en
ophalen van het document, niet maken dat er geen EU-verblijfsrecht kan bestaan. Het gevraagde document dient immers alleen ter bewijs van het mogelijk al bestaande of vervallen verblijfsrecht.
7.2.
De rechtbank leest in artikel 8.7, vierde lid, niet dat het declaratoire EU-verblijfs- recht slechts bestaat als eiseres in Nederland is. Er staat ‘zich bij hem voegt’ en niet ‘al bij hem heeft gevoegd’. Ook leest de rechtbank in artikel 8.13, eerste lid, van het Vb geen onderbouwing dat het declaratoire verblijfsrecht slechts kan bestaan in Nederland. Hierin staat dat ongehuwde partners die in Nederland verblijven bij een EU-burger, na inreis langer dan drie maanden rechtmatig verblijf hebben, maar niet dat dit verblijfsrecht alleen kan bestaan na inreis.
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte beslist dat aan de toetsing of sprake is van een duurzame relatie niet wordt toegekomen omdat eiseres geen hoofdverblijf in Nederland heeft.
Verwijzing naar eerdere beslissing op bezwaar
8. Verweerder stelt in het bestreden besluit ook dat de duurzame relatie niet is aangetoond. Daartoe verwijst verweerder, om onnodige herhaling te voorkomen, naar de motivering van zijn eerdere beslissing op bezwaar over de afwijzing van het facilitair visum. De in bezwaar overgelegde stukken ter onderbouwing van de gestelde relatie laat verweerder buiten beschouwing, omdat volgens verweerder niet wordt toegekomen aan de toetsing van de duurzame relatie in de onderhavige procedure.
8.1.
Uit hetgeen is overwogen onder 7.3. volgt dat verweerder wel dient te toetsen of sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie. Verweerder heeft in dat kader verwezen naar zijn eerdere besluitvorming. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd. Door de bij de aanvraag en in bezwaar overgelegde stukken buiten beschouwing te laten, heeft verweerder nagelaten te beoordelen of daaruit blijkt van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Al daarom kan verweerder niet volstaan met een verwijzing naar zijn eerdere besluitvorming.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient daarbij opnieuw te beoordelen of aanleiding bestaat voor een hoorzitting. De rechtbank ziet daarom thans geen aanleiding voor een bestuurlijke lus. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf te voorzien.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres het griffierecht terug voor het beroep. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 187,- aan griffierecht aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 november 2025

Documentcode: DSR57582803

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.