ECLI:NL:RBDHA:2025:22865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
NL25.56977
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en voortduren van de maatregel in het bestuursrechtelijke beroep van een Nigeriaanse vreemdeling

Op 3 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de maatregel van bewaring van een Nigeriaanse vreemdeling. De eiser, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, had beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 14 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat er voldoende zicht op uitzetting naar Nigeria is. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende inspanningen had geleverd en dat de stellingen van eiser niet onderbouwd waren. De rechtbank heeft ook overwogen dat de belangenafweging in het kader van de maatregel van bewaring correct was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om een lichter middel toe te passen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56977

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 14 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 27 november 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 oktober 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 oktober 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder heeft op 11 juni 2025 de aanvraag voor een laissez-passer (LP) voor eiser ingediend bij de Nigeriaanse autoriteiten. Ondanks veelvuldig rappelleren hebben zij tot op heden niet gereageerd. Daarnaast is eiser ongedocumenteerd en niet gebleken is dat de Nigeriaanse autoriteiten een LP verstrekken aan ongedocumenteerden. Door verweerder zijn enkel de gebruikelijke handelingen verricht om eiser uit te zetten. Verweerder heeft volgens eiser een afwachtende houding.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn ontbreekt. Niet in geschil is dat in het algemeen het zicht op uitzetting naar Nigeria niet ontbreekt. Er is geen reden om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. De LP-aanvraag is tot op heden niet afgewezen en eiser heeft zijn stelling dat de Nigeriaanse autoriteiten geen LP’s afgegeven aan ongedocumenteerden uit Nigeria niet onderbouwd. Verweerder werkt daarnaast voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Zoals eiser zelf stelt, rappelleert verweerder veelvuldig bij de Nigeriaanse autoriteiten. Daarnaast plant eiser ook regelmatig vertrekgesprekken met eiser in. Met deze vertrekhandelingen werkt verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Daar komt bij dat het gegeven de bewaring voortduurt en eiser tot op heden nog niet is uitgezet ook voor rekening en risico van eiser komt. Zo is eiser op het laatst geplande vertrekgesprek van 6 november 2025 niet verschenen. Daarnaast is eiser evenmin op het vertrekgesprek van 20 oktober 2025 verschenen en hij niet heeft willen meewerken aan zijn presentatie aan de Nigeriaanse autoriteiten op 17 oktober 2025. Hieruit blijkt dat eiser tot op heden niet voldoet aan zijn meewerkplicht om zijn uitzetting zo spoedig mogelijk te realiseren.
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring. Uit het voortgangsrapport blijkt niet dat er een inhoudelijke en individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden. Er is sprake van complexe medische problematiek.
7. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar overweging 10 van haar eerdere uitspraak van 23 oktober 2025. In die beoordeling zijn de door eiser naar voren gebrachte medische omstandigheden betrokken, alsmede zijn verklaring dat hij niet terug wil naar Nigeria. Eiser heeft in dit beroep geen andere informatie naar voren gebracht dan al in die uitspraak is betrokken. Daarnaast is niet gebleken dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, in het bijzonder het risico op onttrekking aan het toezicht, niet langer van toepassing zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een ander oordeel en de beroepsgrond slaag daarom niet. Voor zover eiser zich beroept op artikel 5 en artikel 8 van het EVRM [2] overweegt de rechtbank dat de inbreuk op eisers recht op vrijheid en op zijn privéleven is gerechtvaardigd. De bewaring is gebaseerd op een wettelijke grondslag, dient een legitiem doel, namelijk het waarborgen van de terugkeer, en is proportioneel.
8. De rechtbank overweegt dat eiser niet concreet heeft gemaakt of onderbouwd dat hij geen toegang heeft tot de medische dienst of dat hij niet de juiste medische zorg kan krijgen in het detentiecentrum. Uit het door eiser overgelegde medisch journaal blijkt juist dat eiser in de periode tussen 30 juni 2025 en 11 oktober 2025 regelmatig de medische dienst in het detentiecentrum heeft bezocht en behandeling heeft ontvangen. Indien eiser meent dat hij niet de benodigde zorg ontvangt, kan hij hierover een klacht indienen bij de directeur van het detentiecentrum. Niet is gebleken dat eiser dat heeft gedaan.
9. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voorduren van de bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.