Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 9 juli 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken alsnog heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt het ‘8+8 wekenmodel’, waarbij de minister in principe binnen zestien weken moet beslissen. Na een nader gehoor op 7 juli 2025 geldt een termijn van acht weken vanaf de dag na de uitspraak.
De rechtbank draagt de minister op binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op van €100 per dag overschrijding, met een maximum van €15.000. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad €453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier A.W. Landman, zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Het vonnis bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken.