3.4.Vrijspraak
Vrijspraak oplichting (feit 1 primair)
Bij strafrechtelijke vervolging is het Wetboek van Strafrecht (Sr) leidend, waarin in artikel 326 Sr oplichting strafbaar is gesteld. Bij strafbaarstelling van oplichting gaat het om gevallen waarbij de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. In het strafrecht worden dus zwaardere eisen dan aan de enkele (civielrechtelijke) wanprestatie gesteld om tot een veroordeling ter zake van oplichting te kunnen komen.
De vraag die de rechtbank ten aanzien van feit 1 primair moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte aangevers [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, waardoor hij hen zou hebben opgelicht. Of sprake is van een samenweefsel van verdichtsels hangt af van alle omstandigheden van het geval zoals de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Een enkele leugen kan nooit een samenweefsel van verdichtsels opleveren.
Aangever [naam 1] heeft op 23 oktober 2023 bij de verdachte een camper aangeschaft voor een bedrag van € 78.000,-, na hierover door de verdachte te zijn benaderd. De aangever heeft het bedrag diezelfde dag overgemaakt naar het rekeningnummer op naam van OC Musclecars en zou de volgende dag de camper komen ophalen. De camper bleek echter niet te kunnen worden geleverd omdat deze op naam stond van de ex-compagnon van de verdachte. Voorts bleek dat uit naam van die ex-compagnon ook nog financiering op de camper rustte. De verdachte heeft wel een tenaamstellingscode aangeleverd, maar die bleek niet te werken.
De rechtbank stelt vast dat bovenstaande situatie niet aan de levering aan [naam 1] in de weg hoeft te staan. De bemiddeling in de verkoop van voertuigen, waarbij het voertuig nog op naam van de verkopende partij blijft staan, is in de autohandel niet ongebruikelijk (verkoop in consignatie). De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte vóór het sluiten van de koopovereenkomst wetenschap had van de op de camper rustende financiering en de omstandigheid dat de tenaamstellingcode niet werkte. Dat deze code vervalst zou zijn, blijkt evenmin. Tevens is de tenaamstellingscode pas ná het aangaan van de koopovereenkomst en ná de betaling door [naam 1] overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze derhalve geen onderdeel uit van enig oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 Sr waardoor een onjuiste voorstelling van zaken in het leven zou zijn geroepen waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt bij het aangaan van de koop door aangever.
De zwager van aangever [naam 2] is op 26 december 2023 door de verdachte benaderd over de verkoop van verschillende auto’s. [naam 2] en zijn zwager besloten om vijf auto’s te kopen en de aangever heeft dezelfde dag het bedrag van € 128.000,- overgemaakt naar de bankrekening op naam van OC Musclecars.
Enkele dagen later stuurde de verdachte een mail van het verschepingsbedrijf MTI Shipping door aan de zwager van [naam 2] . MTI Shipping berichtte hierin over de status van de verscheping van de auto’s en in de bijlage stond een aankoopdocument dat was ondertekend door [naam 8] . De zwager van [naam 2] heeft met zowel [naam 9] als [naam 8] contact opgenomen en beiden verklaarden recentelijk geen zaken te hebben gedaan met de verdachte. De verschepings- en aankomstdocumenten evenals de berichten vanuit [naam 9] en [naam 8] roepen dus twijfel op over de leveringsmogelijkheden van de verdachte. De rechtbank stelt vast dat deze documentatie – een mogelijk vervalste correspondentie en een mogelijk vervalst aankoopdocument – pas met de zwager van [naam 2] is gedeeld nadat [naam 2] de koopovereenkomst met de verdachte is aangegaan. Nu de koopovereenkomst reeds zonder deze documenten tot stand is gekomen en deze pas ná de betaling door [naam 2] aan zijn zwager zijn verstrekt, maken deze naar het oordeel van de rechtbank daarom geen onderdeel uit van enig oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 Sr waardoor een onjuiste voorstelling van zaken in het leven zou zijn geroepen waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt bij het aangaan van de koop met aangever.
[naam 3] : Een Porsche 911 Turbo
Op 6 januari 2024 heeft de verdachte aangever [naam 3] benaderd en hem een auto, te weten een Porsche 911 Turbo, te koop aangeboden. De aangever en de verdachte zijn een prijs overeengekomen van € 50.000,-. Dit bedrag is direct overgemaakt naar de bankrekening op naam van de verdachte. Enkele dagen later is de aangever naar het bedrijf van de verdachte gereden en zag hij ter plaatse dat de auto niet in de werkplaats aanwezig was. [naam 3] besloot hierop de koop te ontbinden. De auto bleek niet in het bezit te zijn van de verdachte en de verdachte zou niet gerechtigd zijn om de auto te verkopen. Er is echter geen sprake van een koopovereenkomst die tot stand is gekomen door een door de verdachte gesponnen samenweefsel van verdichtsels. De rechtbank kan immers de mogelijkheid dat de verdachte als bemiddelaar heeft opgetreden in de verkoop van deze auto, zoals de verdachte ook heeft verklaard, niet uitsluiten. Bij bemiddeling kan het namelijk voorkomen dat de auto tot de verkoop in het bezit blijft van de verkopende partij en dus niet in het bezit is van de bemiddelaar.
De delictsomschrijving van oplichting houdt in dat aangevers door een oplichtingsmiddel tot betalingshandelingen moeten zijn bewogen. De rechtbank begrijpt dat het verweten oplichtingsmiddel, te weten een samenweefsel van verdichtsels, in alle gevallen bestaat uit de kennelijk leugenachtige mededelingen van de verdachte dat hij auto’s te koop aanbood en kon leveren, terwijl dit niet mogelijk bleek te zijn. Alhoewel de verdachte in deze zaak de door hem aangegane koopovereenkomsten niet is nagekomen, heeft de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting niet voldoende kunnen vaststellen dat de verdachte op voorhand wetenschap had van omstandigheden die aan de levering in de weg stonden, dan wel dat de intentie om de auto’s te leveren volledig ontbrak. Aldus kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van gesproken en/of geschreven uitingen die bij de aangevers een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen. De rechtbank is van oordeel dat er daarom onvoldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen spreken van een samenweefsel van verdichtsels, laat staan dat een samenweefsel van verdichtsels heeft geleid tot de afgifte van de geldbedragen door de aangevers.
Met betrekking tot het onderdeel van de tenlastelegging dat de verdachte (vervalste) documenten aan de aangevers zou hebben overgelegd houdt de rechtbank geen rekening, nu deze pas ná afgifte van de geldbedragen zijn verstrekt. Deze documenten kunnen de aangevers dus niet tot die afgifte hebben bewogen.
De enkele aanbieding door de verdachte, die daadwerkelijk autohandelaar was met tien jaar ervaring, was voor de aangevers voldoende om over te gaan tot betaling van het aankoopbedrag. In dat kader is van belang dat zelfs in het geval dat iemand die zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide verkoper nog niet het aannemen van een valse hoedanigheid en dus nog geen oplichting in de zin van artikel 326 Sr oplevert. Ook daarvoor moet sprake zijn van méér dan die enkele leugen. Daarbij geldt dat op het moment van betaling geen samenweefsel van verdichtsels aan de orde is geweest. Daarom oordeelt de rechtbank dat bij alle drie de aangevers geen sprake was van een oplichtingsmiddel.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en de verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De vraag die de rechtbank ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 moet beantwoorden is of de verdachte de geldbedragen die de verdachte rechtmatig onder zich had en die aan de aangevers toebehoorden, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Geldbedragen (feit 1 subsidiair en feit 2 ten aanzien van de geldbedragen)
Uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte met aangevers [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 5] en [naam 6] koopovereenkomsten heeft gesloten en krachtens die overeenkomsten geldbedragen van de aangevers heeft ontvangen. De verdachte heeft hierdoor niet alleen de geldbedragen rechtmatig onder zich gekregen, maar de geldbedragen zijn ook tot het vermogen van de verdachte, dan wel van zijn bedrijf gaan behoren. Daarmee zijn de geldbedragen niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV8280). De rechtbank wil niet uitsluiten dat de verdachte tekort is geschoten in zijn civielrechtelijke verplichtingen, maar de enkele omstandigheid dat de verdachte, die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen (vervolgens) nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, leidt niet tot wederrechtelijke toe-eigening in de zin van artikel 321 Sr. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde verduistering van geldbedragen.
Chevrolet C10 van [naam 7] (feit 2)
Aangever [naam 7] heeft zijn auto voor onderhoud bij de verdachte ondergebracht. De auto is op 15 december 2023 door medewerkers van de verdachte bij aangever opgehaald en een dag later kreeg [naam 7] een bevestiging dat zijn auto in goede orde was ontvangen. De verdachte heeft de auto dus rechtmatig onder zich gekregen. Vier maanden later heeft de aangever een afspraak met de verdachte gemaakt om zijn auto op 12 april 2024 op te halen. Eenmaal daar aangekomen, bleek de werkplaats van het bedrijf van de verdachte gesloten en het bedrijf inmiddels failliet te zijn verklaard. Onduidelijk is gebleven wat er met de auto van aangever is gebeurd, maar wel is gebleken dat deze zich niet (meer) in de werkplaats van verdachtes autobedrijf bevond. Dit is gebleken uit de boedelbeschrijving die door de curator naar aanleiding van het faillissement is opgesteld, waarin de auto van aangever niet werd vermeld. Nu op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting niet kan worden vastgesteld wat er met de auto is gebeurd, anders dan dat hij niet meer in de werkplaats staat, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte enige rol heeft gehad in de verduistering van deze auto.
De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de verdachte als heer en meester is gaan beschikken over de auto van [naam 7] en deze heeft verduisterd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Dat geldt niet voor de tenlastegelegde verduistering van de auto van aangever [naam 4] . Dat komt hieronder aan de orde.