ECLI:NL:RBDHA:2025:22567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
09/087089-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van oplichting en verduistering door autohandelaar na niet-nakomen van koopovereenkomsten

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een autohandelaar, die werd beschuldigd van oplichting en verduistering. De verdachte had verschillende koopovereenkomsten gesloten voor de verkoop van voertuigen, maar leverde deze niet. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake was van oplichting, omdat de verdachte niet kon worden aangetoond dat hij opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken had gegeven. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet voldoende wetenschap had van de omstandigheden die aan de levering in de weg stonden. De verdachte werd vrijgesproken van oplichting, omdat de enkele aanbieding van voertuigen door de verdachte niet voldeed aan de eisen van een oplichtingsmiddel.

Met betrekking tot de verduistering oordeelde de rechtbank dat de verdachte de geldbedragen die hij van de aangevers had ontvangen, rechtmatig onder zich had gekregen. De rechtbank concludeerde dat de verdachte niet wederrechtelijk had gehandeld, omdat de geldbedragen tot zijn vermogen waren gaan behoren. De verdachte werd ook vrijgesproken van de tenlastegelegde verduistering van een auto, omdat niet kon worden vastgesteld wat er met de auto was gebeurd na het faillissement van zijn bedrijf. De rechtbank legde een taakstraf op van 120 uur voor de verduistering van een voertuig dat de verdachte onder zich had.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/087089-24
Datum uitspraak: 28 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 21 maart 2025 en 9 mei 2025 (beide regiezittingen) en 14 november 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.A. Ramdharie-Beckers en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. R. van ’t Land naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 23 oktober 2023 tot en met 25 januari 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,
- [naam 1] ,
- [naam 2] en
- [naam 3]
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag van in totaal € 234.000,- (resp. € 56.000 + € 128.000 + € 50.000), door
(telkens)
- toe te zeggen/te beloven dat hij, verdachte, (vanuit het buitenland) een of meer auto('s) en/of een camper zou aan- en/of verkopen en/of
- voor die aanko(o)p(en) en/of verko(o)p(en) van die auto('s) en/of camper een of meer (aan)betalingen te vragen en/of
- een of meer (vervalste) tenaamstellingscode(s) en/of factu(u)r(en) en/of aankoopbewijzen en/of (vervalste) verschepingsbewijzen van die aan- en/of te verkopen auto's en/of camper toe te sturen,
terwijl
- de aan te kopen auto('s) nooit in Nederland ingevoerd werden en/of
- de aan te kopen auto('s) nooit te koop hebben gestaan in het buitenland en/of
- er nog financiering/een leasecontract op de aan te kopen camper rustte en/of
- de aan te kopen auto('s) niet op zijn naam stonden en/of zich niet binnen zijn machtssfeer bevonden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 23 oktober 2023 tot en met 25 januari 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, opzettelijk meermalen, althans eenmaal, diverse geldbedragen van in totaal € 234.000,- (resp. € 56.000 + € 128.000 + € 50.000), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
- [naam 1] ,
- [naam 2] en
- [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten ten behoeve van de aan- en/of verkoop van een of meerdere auto('s) en/of een camper, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2022 tot en met 19 april 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, opzettelijk een Chevrolet Camaro met chassisnummer [chassisnummer] en/of € 33.000,- en/of € 136.950,- en/of een
Chevrolet C10 met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten voor reparatie (spuitwerk) en/of de aan- of verkoop van een of meer auto('s) en/of onderhoud, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
In de periode van augustus 2023 tot en met april 2024 is meermaals bij de politie aangifte gedaan van oplichting en verduistering door de verdachte. Naar aanleiding van de aangiftes is een onderzoek gestart naar de verdachte, die sinds 2013 mede-eigenaar en sinds 2023 enig eigenaar is van het bedrijf Original Classic Musclecars (hierna te noemen: OC Musclecars). Het bedrijf richt zich op de in- en verkoop en de restauratie van klassieke auto's. Uit het politieonderzoek is gebleken dat de verdachte meerdere koopovereenkomsten is aangegaan die hij niet is nagekomen door niet aan zijn verplichting tot levering te voldoen. De verdachte onderkent dit en geeft aan dat de gang van zaken destijds geen schoonheidsprijs verdiende. Naar eigen zeggen wilde hij de voertuigen nog wel leveren, maar was hij financiële “gaten met gaten aan het dichten”.
In het algemeen spraakgebruik wordt het niet nakomen van een verbintenis al snel gezien of aangeduid als ‘oplichting’. De wetgever heeft echter willen voorkomen dat het enkele feit dat iemand civielrechtelijk wanprestatie pleegt, leidt tot een strafrechtelijke veroordeling. De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of bij de ten laste gelegde zaken sprake is van strafrechtelijke niet-nakoming in de zin van oplichting dan wel verduistering.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde oplichting en onder 2 ten laste gelegde verduistering.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.4.
Vrijspraak
Vrijspraak oplichting (feit 1 primair)
Bij strafrechtelijke vervolging is het Wetboek van Strafrecht (Sr) leidend, waarin in artikel 326 Sr oplichting strafbaar is gesteld. Bij strafbaarstelling van oplichting gaat het om gevallen waarbij de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. In het strafrecht worden dus zwaardere eisen dan aan de enkele (civielrechtelijke) wanprestatie gesteld om tot een veroordeling ter zake van oplichting te kunnen komen.
De vraag die de rechtbank ten aanzien van feit 1 primair moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte aangevers [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, waardoor hij hen zou hebben opgelicht. Of sprake is van een samenweefsel van verdichtsels hangt af van alle omstandigheden van het geval zoals de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Een enkele leugen kan nooit een samenweefsel van verdichtsels opleveren.
[naam 1] : Camper
Aangever [naam 1] heeft op 23 oktober 2023 bij de verdachte een camper aangeschaft voor een bedrag van € 78.000,-, na hierover door de verdachte te zijn benaderd. De aangever heeft het bedrag diezelfde dag overgemaakt naar het rekeningnummer op naam van OC Musclecars en zou de volgende dag de camper komen ophalen. De camper bleek echter niet te kunnen worden geleverd omdat deze op naam stond van de ex-compagnon van de verdachte. Voorts bleek dat uit naam van die ex-compagnon ook nog financiering op de camper rustte. De verdachte heeft wel een tenaamstellingscode aangeleverd, maar die bleek niet te werken.
De rechtbank stelt vast dat bovenstaande situatie niet aan de levering aan [naam 1] in de weg hoeft te staan. De bemiddeling in de verkoop van voertuigen, waarbij het voertuig nog op naam van de verkopende partij blijft staan, is in de autohandel niet ongebruikelijk (verkoop in consignatie). De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte vóór het sluiten van de koopovereenkomst wetenschap had van de op de camper rustende financiering en de omstandigheid dat de tenaamstellingcode niet werkte. Dat deze code vervalst zou zijn, blijkt evenmin. Tevens is de tenaamstellingscode pas ná het aangaan van de koopovereenkomst en ná de betaling door [naam 1] overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze derhalve geen onderdeel uit van enig oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 Sr waardoor een onjuiste voorstelling van zaken in het leven zou zijn geroepen waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt bij het aangaan van de koop door aangever.
[naam 2] : Vijf auto’s
De zwager van aangever [naam 2] is op 26 december 2023 door de verdachte benaderd over de verkoop van verschillende auto’s. [naam 2] en zijn zwager besloten om vijf auto’s te kopen en de aangever heeft dezelfde dag het bedrag van € 128.000,- overgemaakt naar de bankrekening op naam van OC Musclecars.
Enkele dagen later stuurde de verdachte een mail van het verschepingsbedrijf MTI Shipping door aan de zwager van [naam 2] . MTI Shipping berichtte hierin over de status van de verscheping van de auto’s en in de bijlage stond een aankoopdocument dat was ondertekend door [naam 8] . De zwager van [naam 2] heeft met zowel [naam 9] als [naam 8] contact opgenomen en beiden verklaarden recentelijk geen zaken te hebben gedaan met de verdachte. De verschepings- en aankomstdocumenten evenals de berichten vanuit [naam 9] en [naam 8] roepen dus twijfel op over de leveringsmogelijkheden van de verdachte. De rechtbank stelt vast dat deze documentatie – een mogelijk vervalste correspondentie en een mogelijk vervalst aankoopdocument – pas met de zwager van [naam 2] is gedeeld nadat [naam 2] de koopovereenkomst met de verdachte is aangegaan. Nu de koopovereenkomst reeds zonder deze documenten tot stand is gekomen en deze pas ná de betaling door [naam 2] aan zijn zwager zijn verstrekt, maken deze naar het oordeel van de rechtbank daarom geen onderdeel uit van enig oplichtingsmiddel in de zin van artikel 326 Sr waardoor een onjuiste voorstelling van zaken in het leven zou zijn geroepen waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt bij het aangaan van de koop met aangever.
[naam 3] : Een Porsche 911 Turbo
Op 6 januari 2024 heeft de verdachte aangever [naam 3] benaderd en hem een auto, te weten een Porsche 911 Turbo, te koop aangeboden. De aangever en de verdachte zijn een prijs overeengekomen van € 50.000,-. Dit bedrag is direct overgemaakt naar de bankrekening op naam van de verdachte. Enkele dagen later is de aangever naar het bedrijf van de verdachte gereden en zag hij ter plaatse dat de auto niet in de werkplaats aanwezig was. [naam 3] besloot hierop de koop te ontbinden. De auto bleek niet in het bezit te zijn van de verdachte en de verdachte zou niet gerechtigd zijn om de auto te verkopen. Er is echter geen sprake van een koopovereenkomst die tot stand is gekomen door een door de verdachte gesponnen samenweefsel van verdichtsels. De rechtbank kan immers de mogelijkheid dat de verdachte als bemiddelaar heeft opgetreden in de verkoop van deze auto, zoals de verdachte ook heeft verklaard, niet uitsluiten. Bij bemiddeling kan het namelijk voorkomen dat de auto tot de verkoop in het bezit blijft van de verkopende partij en dus niet in het bezit is van de bemiddelaar.
Conclusie
De delictsomschrijving van oplichting houdt in dat aangevers door een oplichtingsmiddel tot betalingshandelingen moeten zijn bewogen. De rechtbank begrijpt dat het verweten oplichtingsmiddel, te weten een samenweefsel van verdichtsels, in alle gevallen bestaat uit de kennelijk leugenachtige mededelingen van de verdachte dat hij auto’s te koop aanbood en kon leveren, terwijl dit niet mogelijk bleek te zijn. Alhoewel de verdachte in deze zaak de door hem aangegane koopovereenkomsten niet is nagekomen, heeft de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting niet voldoende kunnen vaststellen dat de verdachte op voorhand wetenschap had van omstandigheden die aan de levering in de weg stonden, dan wel dat de intentie om de auto’s te leveren volledig ontbrak. Aldus kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van gesproken en/of geschreven uitingen die bij de aangevers een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen. De rechtbank is van oordeel dat er daarom onvoldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen spreken van een samenweefsel van verdichtsels, laat staan dat een samenweefsel van verdichtsels heeft geleid tot de afgifte van de geldbedragen door de aangevers.
Met betrekking tot het onderdeel van de tenlastelegging dat de verdachte (vervalste) documenten aan de aangevers zou hebben overgelegd houdt de rechtbank geen rekening, nu deze pas ná afgifte van de geldbedragen zijn verstrekt. Deze documenten kunnen de aangevers dus niet tot die afgifte hebben bewogen.
De enkele aanbieding door de verdachte, die daadwerkelijk autohandelaar was met tien jaar ervaring, was voor de aangevers voldoende om over te gaan tot betaling van het aankoopbedrag. In dat kader is van belang dat zelfs in het geval dat iemand die zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide verkoper nog niet het aannemen van een valse hoedanigheid en dus nog geen oplichting in de zin van artikel 326 Sr oplevert. Ook daarvoor moet sprake zijn van méér dan die enkele leugen. Daarbij geldt dat op het moment van betaling geen samenweefsel van verdichtsels aan de orde is geweest. Daarom oordeelt de rechtbank dat bij alle drie de aangevers geen sprake was van een oplichtingsmiddel.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en de verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Vrijspraak verduistering
De vraag die de rechtbank ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 moet beantwoorden is of de verdachte de geldbedragen die de verdachte rechtmatig onder zich had en die aan de aangevers toebehoorden, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Geldbedragen (feit 1 subsidiair en feit 2 ten aanzien van de geldbedragen)
Uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte met aangevers [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 5] en [naam 6] koopovereenkomsten heeft gesloten en krachtens die overeenkomsten geldbedragen van de aangevers heeft ontvangen. De verdachte heeft hierdoor niet alleen de geldbedragen rechtmatig onder zich gekregen, maar de geldbedragen zijn ook tot het vermogen van de verdachte, dan wel van zijn bedrijf gaan behoren. Daarmee zijn de geldbedragen niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening vatbaar. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV8280). De rechtbank wil niet uitsluiten dat de verdachte tekort is geschoten in zijn civielrechtelijke verplichtingen, maar de enkele omstandigheid dat de verdachte, die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen (vervolgens) nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, leidt niet tot wederrechtelijke toe-eigening in de zin van artikel 321 Sr.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde verduistering van geldbedragen.
Chevrolet C10 van [naam 7] (feit 2)
Aangever [naam 7] heeft zijn auto voor onderhoud bij de verdachte ondergebracht. De auto is op 15 december 2023 door medewerkers van de verdachte bij aangever opgehaald en een dag later kreeg [naam 7] een bevestiging dat zijn auto in goede orde was ontvangen. De verdachte heeft de auto dus rechtmatig onder zich gekregen. Vier maanden later heeft de aangever een afspraak met de verdachte gemaakt om zijn auto op 12 april 2024 op te halen. Eenmaal daar aangekomen, bleek de werkplaats van het bedrijf van de verdachte gesloten en het bedrijf inmiddels failliet te zijn verklaard. Onduidelijk is gebleven wat er met de auto van aangever is gebeurd, maar wel is gebleken dat deze zich niet (meer) in de werkplaats van verdachtes autobedrijf bevond. Dit is gebleken uit de boedelbeschrijving die door de curator naar aanleiding van het faillissement is opgesteld, waarin de auto van aangever niet werd vermeld. Nu op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting niet kan worden vastgesteld wat er met de auto is gebeurd, anders dan dat hij niet meer in de werkplaats staat, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte enige rol heeft gehad in de verduistering van deze auto.
De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de verdachte als heer en meester is gaan beschikken over de auto van [naam 7] en deze heeft verduisterd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Dat geldt niet voor de tenlastegelegde verduistering van de auto van aangever [naam 4] . Dat komt hieronder aan de orde.
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024062102, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer / Leidschendam - Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 862).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] , opgemaakt op 2 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 385-386):
Ik ben in contact gekomen met de eigenaar van OC Musclecars, gevestigd op de [adres 2] te Zoetermeer, genaamd [verdachte] . In december 2022 heb ik een auto gekocht voor Euro 27.000,00. Dit betrof een 1968 Chevrolet Camaro cabriolet met chassisnummer [chassisnummer] . Een week later is de auto weer terug gegaan naar OC Musclecars in Zoetermeer. De auto zou opnieuw gespoten worden en dan zou ik de auto weer terug krijgen. Op 21 juli 2022 (
de rechtbank begrijpt: 2023) kreeg ik een foto doorgestuurd van een kennis van mij. Het betrof een foto van een zwarte Camaro met daarbij de opmerking: "Camaro afgeleverd". Ik zag direct dat het om mijn auto ging. Diezelfde avond kreeg ik een terugkoppeling dat de auto zou meegegeven zijn aan ene [naam 10] uit Den Haag. Uiteindelijk gaf [verdachte] toe dat ene [naam 10] inderdaad mijn auto had meegekregen als onderpand voor een openstaande schuld.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 14 november 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat de Camaro van [naam 4] was en dat ik deze aan [naam 10] heb meegegeven als onderpand.
3.6.
Bewijsoverwegingen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de auto van aangever [naam 4] rechtmatig onder zich heeft gekregen, omdat hij de auto opnieuw zou (laten) spuiten. Door de auto, uit eigen belang en zonder toestemming van de aangever, als onderpand mee te geven aan een derde bij wie de verdachte nog een schuld had openstaan, heeft hij als heer en meester beschikt over de auto die nog altijd aan [naam 4] toebehoorde. Dat aangever, nadat zijn auto in onderpand was gegeven, nieuwe koopovereenkomsten is aangegaan met de verdachte en zijn auto niet direct heeft meegenomen toen deze in oktober 2023 weer terug was in de werkplaats van de verdachte, doet hier niet aan af.
Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.
3.7.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 1 december 2022 tot en met
8 oktober 2023te Zoetermeer opzettelijk een Chevrolet Camaro met chassisnummer [chassisnummer] geheel toebehorende aan [naam 4]
,en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten voor reparatie (spuitwerk), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de strafeis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de feiten, de omstandigheden van het geval en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een auto die bij hem is ondergebracht voor onderhoud, door deze auto in onderpand te geven aan een derde bij wie hij een schuld had openstaan. De verdachte heeft hierdoor het vertrouwen beschaamd dat het slachtoffer in hem stelde toen hij de auto bij hem onderbracht. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij met zijn handelen louter oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 maart 2025, waaruit volgt dat de verdachte de afgelopen jaren niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Dat zal de rechtbank noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte betrekken bij haar oordeel over de op te leggen straf.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies in de zaak met parketnummer 01/103870-24 over de verdachte van 8 oktober 2024 waaruit volgt dat sprake is van een laag-gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert de verdachte bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf bij fraude met een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot € 70.000,-. De rechtbank is hierbij uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 27.000,-, te weten de waarde van de 1968 Chevrolet Camaro cabriolet.
De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist omdat zij minder feiten bewezen zal verklaren.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uur passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding:
  • [naam 1] voor een bedrag van € 56.000,- bestaande uit materiële schade en proceskosten voor een bedrag van € 10.064,74;
  • [naam 3] voor een bedrag van € 89.869,93 bestaande uit materiële schade en proceskosten voor een bedrag van € 4.701,79;
  • [naam 2] voor een bedrag van € 133.000,- bestaande uit € 128.000,- materiële schade en € 5.000,- immateriële schade;
  • [naam 4] voor een bedrag van € 130.000,- bestaande uit materiële schade;
  • [naam 5] voor een bedrag van € 33.000,-, bestaande uit materiële schade;
  • [naam 6] voor een bedrag van € 136.950,- bestaande uit materiële schade en proceskosten voor een bedrag van € 10.000,-;
  • [naam 7] voor een bedrag van € 25.000,- bestaande uit materiële schade;
  • [naam 11] voor een bedrag van € 190.326,39 bestaande uit materiële schade en proceskosten voor een bedrag van € 1.794,63.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de volgende standpunten ingenomen met betrekking tot de verzoeken tot schadevergoeding:
  • de vordering van [naam 1] moet worden toegewezen tot een bedrag van € 56.000,- met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 2] moet worden toegewezen tot een bedrag van € 128.000,- met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 3] moet worden toegewezen tot een bedrag van € 50.000,- met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 4] moet worden toegewezen tot een bedrag van
  • de vordering van [naam 5] moet in zijn geheel worden toegewezen met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de vordering van [naam 6] moet worden toegewezen tot een bedrag van € 136.950,- met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 7] moet in zijn geheel worden toegewezen met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de vordering van [naam 11] komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu (de schade van) [naam 11] geen onderdeel uitmaakt van de tenlastelegging.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleitte integrale vrijspraak, de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De verdediging heeft subsidiair de volgende standpunten ingenomen met betrekking tot de verzoeken tot schadevergoeding:
  • de proceskosten van [naam 1] moeten niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 3] moet niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 4] moet niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de proceskosten van [naam 6] moeten niet-ontvankelijk worden verklaard;
  • de vordering van [naam 7] moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partijen [naam 1] , [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7]
De rechtbank zal de benadeelde partijen [naam 1] , [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Benadeelde partij [naam 4]
De rechtbank zal de benadeelde partij [naam 4] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu deze niet is ondertekend en onvoldoende is onderbouwd met betrekking tot de geleden schade in relatie tot het bewezen verklaarde. De gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Benadeelde partij [naam 11]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 321 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
verduistering;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
120 (honderdtwintig) uren;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
60 (zestig) dagen;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
de vordering van de benadeelde partij [naam 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 4] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 5] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 6];
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 7] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [naam 11] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Herfkens, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.C. Veltink en L. Molenaar, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2025.