ECLI:NL:RBDHA:2025:22549

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.54745
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Algerijnse vreemdeling op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling, eiser, die op 2 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de maatregel terecht heeft opgelegd op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf en zijn asielaanvraag is eerder ongegrond verklaard. Tijdens de zitting op 21 november 2025 heeft eiser afgezien van het recht om te worden gehoord, maar zijn gemachtigde was aanwezig. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld en geconcludeerd dat de gronden voor de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank heeft benadrukt dat er zicht op uitzetting naar Algerije is en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54745

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren van [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Inleiding

1. De minister heeft op 2 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door het tekenen van een afstandsverklaring afgezien van het recht om op zitting te worden gehoord. Zijn gemachtigde is op de rechtbank verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en de vreemdeling daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van de identiteit en nationaliteit;
3i. heeft te kennen gegeven dat de vreemdeling geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer.
(
lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Daarnaast heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. De asielaanvraag van eiser is met het besluit van 21 november 2023 kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij is ook een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. Eiser heeft de zware en lichte gronden niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Dit is voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
8.1.
Eiser heeft aangegeven zalf te gebruiken voor zijn huid en last te hebben van zijn schouder. Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank constateert dat eiser geen andere persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid
9. De minister heeft op 3 november 2025 het Openbaar Ministerie verzocht eventuele bezwaren tegen de uitzetting van eiser kenbaar te maken. Op 6 november 2025 is daarnaast een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat er zoals gebruikelijk wordt gerappelleerd op de lp [2] -aanvraag voor eiser. Individueel rappelleren heeft pas zin zodra er nieuwe informatie beschikbaar is om over te leggen. Daarvan is op dit moment geen sprake. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [3] van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Daar komt bij dat eiser geen medewerking verleent en verklaart dit pas te gaan doen zodra een lp voor hem is afgegeven. Het zicht op uitzetting is ook daarom in beginsel gegeven.

Conclusie

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [5]
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).