ECLI:NL:RBDHA:2025:22356
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Opheffing onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht met schadevergoeding
Op 16 oktober 2025 werd aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 4 november 2025.
Eiser voerde aan dat er geen significant risico op onderduiken was, omdat hij bij een vriend in Nederland kon verblijven die ook voor zijn kosten zou zorgen. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel, terwijl er sinds 23 oktober 2025 voldoende aanknopingspunten waren om dit te doen.
De rechtbank benadrukte dat detentie een ultimum remedium is en dat volgens artikel 28 van Pro de Dublinverordening detentie alleen is toegestaan als er geen minder dwingende alternatieven zijn. Verweerder had moeten onderzoeken of eiser bij zijn vriend kon verblijven tot aan zijn overdracht aan Spanje.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel met ingang van 4 november 2025 en kende een schadevergoeding toe van €1.300,- voor 13 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden de proceskosten van €1.814,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: De rechtbank heft de vrijheidsontnemende maatregel op, kent schadevergoeding toe en veroordeelt verweerder in proceskosten.