In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over de afwijzing van een aanvraag voor een visum kort verblijf door eiseres, een Marokkaanse vrouw, voor zichzelf en haar minderjarige zoon. Eiseres heeft op 21 februari 2024 de aanvraag ingediend, maar deze werd op 5 maart 2024 afgewezen door de minister van Buitenlandse Zaken. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende waren aangetoond, en er bestond redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om Nederland tijdig te verlaten. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar het bestreden besluit van 2 augustus 2024 bevestigde de eerdere afwijzing. Hierop heeft eiseres beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 8 oktober 2025 de zaak behandeld. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, wat werd toegewezen. De rechtbank heeft vervolgens de sociale en economische binding van eiseres met Marokko beoordeeld. Eiseres stelde dat zij een sterke sociale binding had door haar kinderen, maar de rechtbank oordeelde dat de sociale binding niet voldoende was aangetoond. Ook de economische binding werd als onvoldoende beoordeeld, omdat eiseres geen stabiel inkomen kon aantonen en afhankelijk was van haar echtgenoot in Nederland.
Daarnaast heeft de rechtbank de schending van de hoorplicht door verweerder besproken. Eiseres voerde aan dat zij had moeten worden gehoord, maar de rechtbank oordeelde dat de ingediende stukken geen nieuwe relevante feiten bevatten die een hoorzitting rechtvaardigden. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de visumaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, en mr. C. Simonis, griffier, en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep.