ECLI:NL:RBDHA:2025:22350

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
NL24.33365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf op basis van sociale en economische binding

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over de afwijzing van een aanvraag voor een visum kort verblijf door eiseres, een Marokkaanse vrouw, voor zichzelf en haar minderjarige zoon. Eiseres heeft op 21 februari 2024 de aanvraag ingediend, maar deze werd op 5 maart 2024 afgewezen door de minister van Buitenlandse Zaken. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende waren aangetoond, en er bestond redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om Nederland tijdig te verlaten. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar het bestreden besluit van 2 augustus 2024 bevestigde de eerdere afwijzing. Hierop heeft eiseres beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 8 oktober 2025 de zaak behandeld. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht, wat werd toegewezen. De rechtbank heeft vervolgens de sociale en economische binding van eiseres met Marokko beoordeeld. Eiseres stelde dat zij een sterke sociale binding had door haar kinderen, maar de rechtbank oordeelde dat de sociale binding niet voldoende was aangetoond. Ook de economische binding werd als onvoldoende beoordeeld, omdat eiseres geen stabiel inkomen kon aantonen en afhankelijk was van haar echtgenoot in Nederland.

Daarnaast heeft de rechtbank de schending van de hoorplicht door verweerder besproken. Eiseres voerde aan dat zij had moeten worden gehoord, maar de rechtbank oordeelde dat de ingediende stukken geen nieuwe relevante feiten bevatten die een hoorzitting rechtvaardigden. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de visumaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, en mr. C. Simonis, griffier, en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33365
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [geboortedatum 1] 1997, van Marokkaanse nationaliteit, hierna: eiseres
(gemachtigde:mr. Š. Petković),
mede namens haar minderjarige zoon:
[appellant] ,geboren op [geboortedatum 2] 2023, van Marokkaanse nationaliteit,
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 21 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf voor zichzelf en haar minderjarige zoon. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 maart 2024 afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond en het voornemen om het grondgebied van de lidstaat voor het verstrijken van het visum tijdig te verlaten niet kan worden vastgesteld. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 2 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] als referent en echtgenoot en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht
3. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Met het overgelegde formulier is voldoende aannemelijk dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt dan ook definitief toegewezen.
Ten aanzien van het beroep
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf met als doel familiebezoek aan [naam] (referent). Hij is haar echtgenoot.
4.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet is aangetoond. Ook is het visum geweigerd omdat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken. Er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagd visum.
Juridisch kader
5. In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Verweerder heeft een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is. De rechtbank kan het bestreden besluit daarom slechts terughoudend toetsen.
5.1.
Eén van de gronden waarop verweerder een visum kan weigeren, is als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek naar de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, diens persoonlijke omstandigheden, met name diens gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, maar moet bepalen of er redelijke twijfel over dat voornemen bestaat. [1] Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om tijdig naar het land van herkomst terug te keren, mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van eiseres met haar land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Sociale binding
6. Eiseres heeft naast haar zoon [appellant] , met wie zij naar Nederland wilt komen, nog een andere zoon; [naam zoon] , geboren op [geboortedatum 3] 2017. In bezwaar stelt eiseres zich op het standpunt dat haar zoontje [naam zoon] bij zijn vader woont in Marokko. Zij voert aan, in het kader van de sociale binding met Marokko, actief betrokken te zijn bij zijn opvoeding. In beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat [naam zoon] bij haar en haar ouders woont. Ter onderbouwing heeft zij een “attestion de residence” overgelegd.
6.1.
Het is de rechtbank niet duidelijk geworden, ook niet na doorvragen bij referent en de gemachtigde van eiseres, per wanneer [naam zoon] bij eiseres is gaan wonen. De rechtbank is niet verder gekomen dan de enkele opmerking dat dat ergens vorig jaar was. Daarom houdt de rechtbank het erop dat het feit dat [naam zoon] bij eiseres woont, zich nog niet voordeed op het moment van het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank is het dan ook met verweerder eens dat de “attestation de residence” gelet op de ex-tunc toetsing niet bij de beoordeling kan worden betrokken. [2] Het betreft geen nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt.
6.2.
Wat betreft de sociale binding heeft verweerder verder van belang kunnen achten dat het feit dat de ouders en vijf broers en zussen van eiseres in Marokko verblijven, nog niet betekent dat de sociale binding van eiseres met Marokko zodanig sterk is dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Niet is gebleken dat eiseres de zorg heeft voor directe familieleden of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig naar het land van herkomst terug te keren. Gezien het feit dat eiseres gehuwd is met referent, wordt op grond hiervan vastgesteld dat er in ieder geval (ook) sprake is van sociale binding met Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
Economische binding
7. Eiseres voert aan dat het in landen als Marokko gebruikelijk is om als vrouw te worden onderhouden door de echtgenoot. Dat eiseres minder sterke economische binding met Marokko heeft moet dan ook gecompenseerd worden door de sterke sociale binding die zij heeft met Marokko.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom eiseres de economische binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Er zijn geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat eiseres over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in haar onderhoud te voorzien in Marokko. Zo heeft eiseres bij de visumaanvraag aangegeven geen beroep te hebben. Eiseres stelt dat zij financieel ondersteund wordt door referent; de rechtbank is het met verweerder eens dat dit juist een indicatie vormt dat er (in ieder geval) sprake is van economische binding met Nederland.
7.2.
Dat voor de geringe economische binding moet worden gecompenseerd met de sterke sociale binding volgt de rechtbank niet. Zoals gezegd neemt de rechtbank die sterke sociale binding niet aan. Zij verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 6.2.
7.3.
Conclusie is dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er sprake is van een geringe sociale en economische binding met Marokko en dat daardoor twijfel ontstaat over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren. Omdat dit een zelfstandige weigeringsgrond is, heeft verweerder de aanvraag om het visum op goede grond afgewezen. Overigens heeft eiseres ook geen gronden aangevoerd tegen de andere weigeringsgrond.
Schending hoorplicht
8. Eiseres voert aan dat verweerder niet van horen in bezwaar had kunnen afzien, nu niet vastgesteld kan worden dat naar objectieve maatstaven op voorhand geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiseres te horen over welke stukken/informatie nog van haar wordt verwacht.
8.1.
Het horen in bezwaar moet als uitgangspunt worden genomen. Van horen mag slechts worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. [3]
8.2.
Uit het primaire besluit kon worden opgemaakt dat de aanvraag werd afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond en er twijfel bestond over het voornemen om terug te keren naar Marokko vanwege geringe sociale en economische binding. Hoewel dit standaardoverwegingen betreffen, mocht van eiseres worden verwacht dat zij in bezwaar zou pogen om aan de hand van nadere stukken de twijfel op deze punten weg te nemen. Eiseres heeft stukken ingediend, maar een deel ervan was al mee gestuurd bij de aanvraag en dus bij verweerder bekend. De rechtbank is het met verweerder eens dat de overige stukken geen relevante nieuwe feiten en omstandigheden waren op grond waarvan horen geïndiceerd was. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank kan goed begrijpen dat het voor referent belangrijk is om de regels te volgen, en dat hij eerst – middels een visum kort verblijf – wil bezien of het wat is voor zijn echtgenote in Nederland. Maar dat betekent niet dat verweerder daarom het visum moet verlenen. Als iemand aan één van de voorwaarden niet voldoet, dan moet verweerder het visum weigeren.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de visumaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 april 2025, ECLI:RVS:2025:1545 en van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379.
3.Zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.