ECLI:NL:RBDHA:2025:22333

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.31923
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging van een zwaar inreisverbod aan een vreemdeling wegens opiumdelicten en de beoordeling van de openbare orde

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 26 november 2025, wordt een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd aan een eiser van Turkse nationaliteit, die wegens opiumdelicten een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. De rechtbank behandelt het beroep van de eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, die op 25 juni 2025 het inreisverbod heeft ingesteld. Eiser heeft beroep ingesteld, maar verschijnt niet op de zitting op 9 oktober 2025, terwijl de minister zich laat vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank overweegt dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij recentelijk is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf wegens heroïnehandel. De minister heeft in zijn besluit gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, en dat er onvoldoende redenen zijn om het inreisverbod te verkorten of niet op te leggen. Eiser voert aan dat hij een 'first offender' is en dat hij spijt heeft, maar de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom het inreisverbod gerechtvaardigd is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31923

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

van Turkse nationaliteit
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht een inreisverbod heeft opgelegd en dat het besluit in stand kan blijven.

Procesverloop

2. Met het besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren.
2.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

3. Eiser heeft op 5 september 2023 een terugkeerbesluit gekregen. Niet is gebleken dat hij de EU [1] sindsdien heeft verlaten. Eiser verblijft niet rechtmatig in Nederland. Hij is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, wegens heroïne handel en/of smokkel. Dat blijkt uit een uittreksel van de Justitiële Informatiedienst van 23 april 2025. Op 6 maart 2025 heeft de politie eiser gehoord over het voorstel om een zwaar inreisverbod en een besluit tot signalering op te leggen. Op 24 april 2025 heeft de politie dit voorstel bij de IND [2] ingediend.
3.1
De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn de EU heeft verlaten. Daarom legt de minister aan eiser een inreisverbod op. Dat volgt uit artikel 66a, lid 1, aanhef en onder b, Vw. [3] Ook heeft de minister getoetst aan het Unierechtelijke openbare orde criterium. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom het persoonlijk gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving is. Het inreisverbod is een zwaar inreisverbod, omdat eiser wegens opiumdelicten een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. In de persoonlijke feiten en omstandigheden van eiser vindt de minister onvoldoende aanleiding om het inreisverbod achterwege te laten dan wel de duur ervan te verkorten. Het besluit is volgens de minister niet in strijd met artikel 8 van het EVRM [4] .

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het opleggen van het zware inreisverbod. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging
6. Eiser voert aan dat geen sprake kan zijn van een actuele bedreiging. Hij is immers een “first offender”. Eiser stelt dat hij eenmalig een misstap heeft begaan en dat de kans op herhaling niet aanwezig is. De opgelegde gevangenisstraf heeft daarnaast een afschrikwekkend effect op eiser en zal hem weerhouden om opnieuw de fout in te gaan.
6.1.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan aan de vreemdeling een inreisverbod worden opgelegd wanneer deze geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde. Uit artikel 6.5, vijfde lid, onder b, van het Vb [5] volgt dat dit inreisverbod kan worden opgelegd voor de duur van tien jaar wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid.
6.2.
Uit de uitspraken van de Afdeling [6] van 20 november 2015, [7] van 2 juni 2016 [8] en van 4 juli 2017 [9] in samenhang met het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., [10] volgt dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat het persoonlijk gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister dient bij de beoordeling of daarvan sprake is alle feitelijke en juridische gegevens te betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. De minister moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van het besluit. Als een vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van een inreisverbod omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet de minister aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een andere oordeel leiden.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de persoonlijke gedragingen van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Zo heeft de minister terecht overwogen dat eiser het misdrijf recent heeft gepleegd, dat eiser nog in detentie blijft en dat eiser nog niet als vrij man heeft laten zien dat hij zijn leven duurzaam heeft gebeterd. Verder heeft de minister terecht gewezen op de overweging uit het strafvonnis waaruit volgt dat eiser zich kennelijk niet bekommert om de risico’s en gevolgen van zijn handelen. Dat getuigt van een tekortschietend normbesef. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij spijt heeft, heeft de minister terecht aangegeven dat eiser zijn spijt ziet op de gevolgen voor hemzelf, namelijk dat hij nu vast zit. Niet is gebleken dat eiser inzicht heeft gekregen in het ontoelaatbare van zijn handelen of dat eiser zijn gedrag zal verbeteren. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat onttrekking aan het drugsmilieu niet alleen een kwestie is van willen maar ook van kunnen. Eiser zou onder druk kunnen komen te staan om opnieuw een misdrijf te plegen omdat eiser al een waardevolle lading harddrugs heeft kwijtgespeeld. Eiser heeft zichzelf in deze positie gemanoeuvreerd. De minister heeft zich tot slot terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden waarin eiser tot zijn daden is gekomen en eisers normbesef dusdanig zijn verbeterd dat er niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. Gelet op de motivering van de minister is de rechtbank van oordeel dat eisers betoog niet slaagt.
Afzien van het opleggen van een inreisverbod of de duur van het inreisverbod verkorten
7. Eiser voert ook aan dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan aanleiding bestaat om af te zien van het opleggen van een inreisverbod of anders om een korter durend inreisverbod op te leggen. De minister had op grond van artikel 3:46 van de Awb [11] dienen te motiveren waarom er geen aanleiding wordt gezien om de duur van het inreisverbod in te korten.
7.1.
Ook dit betoog van eiser volgt de rechtbank niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister wel degelijk heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om het inreisverbod achterwege te laten dan wel de duur ervan te verkorten. Zo heeft de minister aangegeven dat eiser het contact met de familieleden in de EU op afstand kan onderhouden met gebruik van moderne communicatiemiddelen. Ook kan eiser zijn familie buiten de EU ontmoeten. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij zijn werk ook kan voortzetten als hij de EU niet meer in mag. Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat in de persoonlijke feiten en omstandigheden van eiser er geen aanleiding bestaat om het inreisverbod achterwege te laten dan wel de duur ervan te verkorten. Het betoog van eiser treft dan ook geen doel.
7.2.
Voor zover eiser onder verwijzing naar zijn familie in Bulgarije een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat ook dit betoog niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser het contact met de familieleden in de EU op afstand kan onderhouden met gebruik van moderne communicatiemiddelen en dat hij zijn familie buiten de EU kan ontmoeten.

Conclusie

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Europese Unie.
2.Immigratie- en Naturalisatie Dienst.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.ECLI:EU:C:2015:377.
11.Algemene wet bestuursrecht.