ECLI:NL:RBDHA:2025:22318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.33730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvraag en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van de Dublinverordening

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak van een eiser die in beroep ging tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De minister had de aanvraag afgewezen op basis van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank oordeelde dat de minister zich terecht op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht baseren, wat inhoudt dat Duitsland als veilig land wordt beschouwd voor de opvang van asielzoekers. Eiser voerde aan dat hij in Duitsland geen adequate opvang zou krijgen en dat dit in strijd zou zijn met zijn mensenrechten, maar de rechtbank oordeelde dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet voldoende waren om van het interstatelijk vertrouwensbeginsel af te wijken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat de beslissing van de minister in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt de toepassing van de Dublinverordening en de verantwoordelijkheden van lidstaten in asielprocedures.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 juni 2025, op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, aanvaard.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser is van mening dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert aan dat hij in Duitsland geen adequate opvangvoorzieningen zal krijgen, en dat dit strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. Hierbij wijst eiser op het Country Report Germany, update 2021 van 8 april 2022 van AIDA, waaruit blijkt dat de faciliteiten die in opvangcentra in Duitsland worden aangeboden vaak niet voldoen aan de basisbehoeften en dat er vaak gebrek is aan privacy. Het gebrek aan privacy blijkt ook uit het feit dat sanitaire faciliteiten soms door 10 tot 12 personen gebruikt moeten worden. Tevens blijkt uit onderzoeken die zijn gedaan in 2020 dat er inbreuk wordt gemaakt op rechten van kinderen, waardoor er een gevaar voor hun gezondheid ontstaat. Ook wordt de gezondheidszorg omschreven als zorgwekkend en ontoereikend in de meeste instellingen. Verder beroept eiser zich op het AIDA Country Report Germany, update 2022 van 7 april 2023. [2] Hieruit blijkt dat de omstandigheden waaronder asielzoekers werden opgevangen in 2022 verslechterden ten gevolge van massieve overbevolking door de oorlog in Oekraïne en de situatie in Afghanistan, aldus eiser.
5.1.
Verder voert eiser aan dat ook uit zijn persoonlijke ervaring blijkt dat er geen adequate opvang is in Duitsland. Zo heeft hij moeten ervaren dat hij in het asielzoekerscentrum werd lastig gevallen en met de dood werd bedreigd door uit Syrië afkomstige asielzoekers. Een van deze personen heeft eiser zelfs met een mes in de linkerzijde van zijn buik gestoken. Eiser heeft hiervan aangifte gedaan, maar de politie heeft hier niks mee gedaan. Ook heeft eiser geen hulp gekregen van zijn Duitse advocaat, omdat hij zijn advocaat niet kon betalen. Eiser doet verder beroep op het AIDA Country Report Germany, update 2023 van 10 juli 2024 [3] , waaruit blijkt dat er steeds meer raciaal gemotiveerde aanvallen in Duitsland plaatsvinden op asielzoekers en vluchtelingen. Ook wordt hierin beschreven dat het voorkomt dat er ratten rondrennen in het asielzoekerscomplex, dat de gebouwen stinken en dat de sanitaire voorzieningen beschimmeld zijn.
5.2.
Tot slot voert eiser aan dat hij in Duitsland geen recht op gratis rechtsbijstand heeft, waardoor hij zijn klachten niet gratis aan een advocaat kan voorleggen. Het recht op gratis rechtsbijstand is vastgelegd in artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Eiser is praktiserend homoseksueel en dat hij vreest in Egyptische voor de autoriteiten en zijn familie. Omdat zijn asielaanvraag al twee keer is afgewezen door de Duitse autoriteiten, zal een overdracht naar Duitsland gelijk staan aan indirect refoulement.
6. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [4] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest te leiden. [5] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [6]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 [7] geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 [8] en 14 februari 2025. [9] De Afdeling heeft in die laatste uitspraak geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2022) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinclaimanten in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die reeds in eerdere uitspraken zijn betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich op goede gronden op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van deze jurisprudentie af te wijken. Niet is gesteld dat de door eiser aangehaalde AIDA-rapporten blijk geeft van een voor hem relevante verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al door de Afdeling is beoordeeld. Verder kan op basis van de enkele, niet onderbouwde stellingen van eiser dat hij in Duitsland geen adequate opvang zal krijgen onder verwijzing naar de Opvangrichtlijn, niet worden geconcludeerd dat Duitsland zich niet aan zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers houdt of dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asielsysteem waarmee de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo [10] wordt bereikt. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat een nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Daaruit mag ook worden afgeleid dat zij eiser zullen behandelen en opvangen in overeenstemming met de Procedurerichtlijn, de Kwalificatierichtlijn, en de Opvangrichtlijn.
6.2.
De verwijzing van eiser naar de landeninformatie over Duitsland waaruit blijkt dat asielzoekers steeds meer te maken krijgen met geweld en racisme in de opvang, leidt evenmin tot het oordeel dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hierdoor de Jawo-drempel wordt bereikt. Ook uit de eerdere ervaringen van eiser in Duitsland volgt niet dat hij in de opvangvoorzieningen in Duitsland een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en/of 4 van het EU Handvest. Eiser heeft de gestelde messensteek en zijn opname in het ziekenhuis, niet nader met medische stukken onderbouwd.
6.3.
Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Duitse opvangvoorzieningen of anderszins beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. De enkele stelling dat hij aangifte heeft gedaan en de politie hier niks mee heeft gedaan, is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat Duitsland zich ten opzichte van eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. De minister mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6.4.
De rechtbank oordeelt verder de omstandigheid dat er geen kosteloze rechtsbijstand wordt verleend niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen. Uit artikel 19 en verder van de Procedurerichtlijn volgt niet dat iedere vreemdeling onvoorwaardelijk recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures, zowel in eerste aanleg als in beroepsprocedures. Ook biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Het door Duitsland gehanteerde systeem dat een vreemdeling recht heeft op kosteloze bijstand indien door de rechter wordt beoordeeld dat het beroep een kans van slagen heeft, is dus in overeenstemming met de Procedurerichtlijn. De beoordeling wordt gedaan door een rechter en niet door de Duitse autoriteiten. Voor zover eiser stelt dat hem ten onrechte kosteloze rechtsbijstand zal worden onthouden, moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland bij de (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, eventueel zonder kosteloze rechtsbijstand, niet zou kunnen klagen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Eiser voert aan dat de minister eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De individuele, bijzondere omstandigheden maken namelijk dat het vasthouden aan de Dublinprocedure getuigt van onevenredige hardheid.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Bij deze bevoegdheid heeft de minister veel beslissingsruimte. Daarom kan de rechtbank alleen terughoudend toetsen of de minister goed heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De rechtbank overweegt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Non-refoulement
8. Verder overweegt de rechtbank dat het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat – kort gezegd – een rechter bij een overdrachtsbesluit niet mag toetsen of indirect refoulement aannemelijk is wanneer deze rechter niet vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. [11] Nu de minister heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, zal de rechtbank daarom niet op deze beroepsgrond ingaan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Pagina 131 en 133.
3.Pagina 151 tot en met 155.
4.Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en Afdeling 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
5.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
6.HvJEU 21 december, N.S. e.a., ECLI:EU:C:2011:865 (arrest N.S.), punt 82.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
8.Afdeling 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
9.Afdeling 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
10.Arrest Jawo.
11.Arrest van het HvJEU van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, punt 129 tot en met punt 152.