Verzoekster, docent bij een HBO-instelling, vordert een billijke vergoeding wegens vermeend onrechtmatig niet verlengen van haar jaarcontract vanwege haar chronische ziekte (PDS). Zij stelt dat de werkgever onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling handicap en chronische ziekte (Wgbh/cz) en het goed werkgeverschap.
De werkgever betwist dat sprake is van een chronische ziekte die deelname aan het arbeidsproces belemmert en voert meerdere andere redenen aan voor het niet verlengen, zoals frequent ziekteverzuim en klachten van studenten. De kantonrechter oordeelt dat PDS niet voldoende is onderbouwd als chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz en dat de werkgever geen verboden onderscheid heeft gemaakt.
Ook de overige verwijten van pesterijen, tekortschieten in begeleiding en intimiderend gedrag zijn onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter wijst het verzoek om billijke vergoeding af, kent wel een gematigde wettelijke verhoging toe over te laat uitbetaalde vakantiedagen en veroordeelt verzoekster in de proceskosten.