ECLI:NL:RBDHA:2025:22255

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.47073 en NL25.47074
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de asielaanvraag en de zorgvuldigheid van de leeftijdsschouw

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling genomen op basis van de Dublinverordening, waarbij Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De rechtbank heeft op 6 november 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van verweerder aanwezig waren.

De rechtbank concludeert dat de leeftijdsschouwen die zijn uitgevoerd door de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat de kenmerken die zijn benoemd door DISA en IND niet voldoende bewijs leveren voor de vaststelling van eisers meerderjarigheid. De rechtbank benadrukt dat de verslaglegging van de leeftijdsschouwen niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en dat de conclusies niet zijn onderbouwd met voldoende bewijs. Hierdoor blijft de presumptie van minderjarigheid van eiser van kracht.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 26 september 2025 en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, die in totaal € 2.721,- bedragen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat het beroep gegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.47073 en NL25.47074
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 26 september 2025 niet in behandeling genomen omdat hij Duitsland verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
1.1.
Het beroep en het verzoek zijn op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Verweerder heeft eisers geboortedatum vastgesteld op [geboortedatum 2] .
Waarover gaat deze uitspraak?
3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat van eisers meerderjarigheid moet worden uitgegaan. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het besluit niet in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hoe is het besluit tot stand gekomen?
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de behandeling van eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.

Is het onderzoek leeftijdsschouw zorgvuldig gedaan?

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderzoek van verweerder naar eisers leeftijd niet deugdelijk is geweest. Hiertoe verwijst hij allereerst naar General Comment No. 2 van het Comité voor de Rechten van het Kind [3] en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. [4] Verweerder is ten onrechte uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum 2] door van de leeftijdsschouw uit te gaan. Er heeft kennelijk een ‘weging inzake de leeftijd van eiser’ plaatsgevonden, maar die weging is niet omschreven zodat niet duidelijk is welk gewicht verweerder heeft toegekend aan onder meer de gedragingen van eiser, dan wel zijn lichamelijke kenmerken, dan wel zijn verklaringen. Op de zitting heeft eiser in dit kader verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 20 augustus 2025. [5] Daar komt bij dat eiser zelf heeft verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 1] , wat slechts een half jaar verschilt met de datum die verweerder hanteert. Onvoldoende is dan ook gemotiveerd hoe het gedrag in een half jaar zo kan verschillen dat de geboortedatum die eiser zelf heeft opgegeven niet gevolgd kan worden.
6. De rechtbank overweegt, met de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid van verweerder, zoals dat in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en in de Werkinstructie 2023/6 is uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Daarbij moet worden benadrukt dat, om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, het van belang is dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot aan de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. Dat brengt met zich dat als de leeftijdsschouw niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsschouw geen bruikbaar middel is voor de beoordeling van de leeftijd van de vreemdeling. Verweerder moet in dat geval blijven uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en dan is het aan hem om de stelling van een vreemdeling over zijn leeftijd te ontzenuwen. [6]
7. Omdat verweerder twijfelde aan eisers minderjarigheid en eiser die niet kon aantonen met bewijsmiddelen hebben er twee leeftijdsschouwen plaatsgevonden, verricht door medewerkers van de DISA [7] en de IND [8] . De bevindingen en conclusies daarvan zijn opgenomen in een schouwverslag van 21 juli 2025, opgesteld door twee medewerkers van DISA, en in het rapport aanmeldgehoor van 25 juli 2025, opgesteld door een medewerker van de IND. De bevindingen van beide schouwen, de beschrijvingen van eisers gedrag, lichamelijke kenmerken en zijn verklaringen leidden in beide rapporten tot de conclusie dat eiser evident meerderjarig is.
8. De rechtbank is van oordeel dat de leeftijdsschouwen van DISA en de IND in deze zaak niet voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Daartoe betrekt zij het volgende. De kenmerken die door zowel DISA als de IND zijn benoemd kunnen betrekking hebben op zowel meerder- als minderjarigheid. In ieder geval hebben DISA en IND geen inzicht gegeven in waarom welk kenmerk duidt op meerder- of minderjarigheid. Zo volgt bijvoorbeeld uit de leeftijdsschouw gedaan door DISA dat er bij eiser sprake is van acne op zijn wangen en voorhoofd en dat hij een vlassig snorretje heeft. Op basis van kennis en ervaring zouden deze kenmerken naar het oordeel van de rechtbank kunnen wijzen op minderjarigheid. Dat eiser een sik heeft zou in theorie meerderjarigheid kunnen aantonen, maar ook daar valt over te twisten. Hetzelfde geldt voor het feit dat eiser lang is en dat hij grote handen heeft. Niet wordt duidelijk gemaakt welke kenmerken op welke manier specifiek tot de conclusie leiden dat eiser evident meerderjarig is. Ook in de schouw gedaan door de IND is niet inzichtelijk gemaakt welke kenmerken en gedragingen tot welke conclusie leiden en waarom deze typerend zouden zijn voor minder- of meerderjarigheid. Zo volgt uit deze schouw onder meer dat eiser lang en dun is, en donkere wenkbrauwen heeft. Dit zou zowel op minder- als meerderjarigheid kunnen duiden. Dat eiser een sikje en snorretje heeft zou meerderjarigheid kunnen aantonen, maar in sommige gevallen mogelijk ook minderjarigheid. In het geheel is in beide leeftijdsschouwen onvoldoende verbinding gemaakt tussen de kenmerken, gedragingen en verklaringen van eiser en de conclusie dat hij evident meerderjarig is. Zowel DISA als IND hebben immers volstaan met een opsomming van eisers lichamelijke kenmerken, gedragingen en verklaringen en daarop tot evidente meerderjarigheid geconcludeerd. Gelet op wat ook in rechtsoverweging 6 van deze uitspraak staat, komt de rechtbank derhalve tot de conclusie dat de leeftijdsschouwen in eisers zaak onvoldoende zorgvuldig, concludent en inzichtelijk zijn. Daarom zijn de leeftijdsschouwen in deze zaak geen bruikbaar middel voor de beoordeling van de leeftijd van eiser en geldt de presumptie van minderjarigheid.
8.1.
De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat eiser zelf heeft gesteld geboren te zijn op [geboortedatum 1] . Uiteindelijk is middels de schouwen eisers geboortedatum vastgesteld op [geboortedatum 2] . De rechtbank stelt vast dat hier slechts een halfjaar verschil tussen zit. Van dat geringe leeftijdsverschil geven de schouwen geen blijk. Niet inzichtelijk is gemaakt welke kenmerken en gedragingen specifiek aantonen dat eiser niet een halfjaar jonger zou kunnen zijn dan verweerder stelt. Daar komt bij dat verweerder op de zitting ook niet heeft kunnen uitleggen hoe tot de vaststelling van de geboortedatum van [geboortedatum 2] is gekomen.
9. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond. Omdat alleen al hierom het beroep gegrond is behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Wat is de conclusie?
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
12. Omdat in beroep is beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 september 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.General Comment No. 2, CMWC/C/GC/4-CRC/C/GC/23 van het Comité voor de rechten van het Kind.
6.ECLI:NL:RVS:2025:3801, rechtsoverweging 12.2 en 13.
7.Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers.
8.Immigratie- en Naturalisatiedienst.