ECLI:NL:RBDHA:2025:22254

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.55112
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak met verzoek om schadevergoeding

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser, een Azerbeidzjaanse nationaliteit, beroep heeft ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit, genomen op 10 november 2025, hield in dat eiser in bewaring werd gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden beschouwd. Tijdens de zitting op 19 november 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en is er een tolk aanwezig geweest. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen, waarbij onder andere is gekeken naar de gronden voor de inbewaringstelling en de medische situatie van eiser.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser zich niet aan de voor hem geldende verplichtingen heeft gehouden en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Ook is gebleken dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, wat de rechtbank als een zwaarwegende grond heeft aangemerkt. Eiser heeft aangevoerd dat de inbewaringstelling onterecht was, omdat verweerder niet alle benodigde medische gegevens had verzameld voordat hij in bewaring werd gesteld. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de inbewaringstelling noodzakelijk was, gezien het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat er geen gronden zijn om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de genomen besluiten. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55112

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt van Azerbeidzjaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1987.
Eiser voert aan dat verweerder weliswaar de machtiging tot binnentreden heeft overgelegd, maar ten onrechte het verzoek dat ten grondslag ligt aan die machtiging niet aan het dossier heeft toegevoegd. De rechtbank overweegt in principe niet gehouden te zijn het voortraject te toetsen tenzij daar gronden tegen zijn gericht. Uit hetgeen door eiser naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat nu een bepaald dossierstuk niet zou zijn overgelegd de rechtbank het voorafgaande traject aan de maatregel van bewaring niet kan toetsen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er een machtiging tot binnentreden is die aan de daaraan wettelijk gestelde vereisten voldoet. Verder is middels deze machtiging binnengetreden waarbij ook aan de wettelijke vereisten is voldaan. Dit is ook niet gesteld of betwist door eiser. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat zij het voortraject volledig heeft kunnen toetsen en daarbij geen onregelmatigheden of onrechtmatigheden is tegengekomen.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [1] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank constateert dat zware grond 3a en de lichte gronden niet door eiser zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd.
5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat zware grond 3b feitelijk juist is. Door eiser is niet betwist dat hij in juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser stelt weliswaar dat hij zijn gemachtigde in deze periode op de hoogte heeft gehouden van zijn verblijfplaats. Dit neemt echter niet weg dat verweerder in deze periode door eiser niet op de hoogte is gesteld en doet daarom geen afbreuk aan de feitelijke vaststelling dat eiser met onbekende bestemming vertrokken is. Dat eiser zich sinds zijn terugkeer in [plaats] op 2 oktober 2025 altijd aan zijn meldplicht heeft gehouden, doet hieraan niet af. De rechtbank is verder van oordeel dat ook zware grond 3k feitelijk juist is. Dat er volgens eiser geen aanwijzingen zijn dat hij niet zou meewerken aan de overdracht aan Duitsland, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft ter zitting voldoende gemotiveerd dat eisers medewerking aan het ondertekenen van een gezondheidsverklaring niet gelijk staat aan het meewerken aan een overdracht aan Duitsland. Verweerder heeft daarbij terecht opgemerkt dat eiser herhaaldelijk heeft verklaard niet vrijwillig te willen terugkeren naar Duitsland. Verweerder heeft dus alle genoemde gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen.
6. Eiser voert aan dat verweerder met inachtneming van het ‘beginsel van de minste pijn’, eerst alle benodigde medische gegevens van eiser voor de overdracht aan Duitsland had moeten verzamelen, voordat hij in bewaring werd gesteld. De vroegtijdige inbewaringstelling klemt te meer omdat eiser al sinds aanvang van de inbewaringstelling in een observatiecel verblijft. Ook schendt verweerder het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel door eiser ruim voor de feitelijke overdracht naar Duitsland en zeer kort na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 30 oktober 2025 [4] zonder noodzaak in bewaring te stellen. Gelet op deze omstandigheden moet aan eiser een hogere schadevergoeding worden toegekend.
7. Gelet op het eerder toegelichte significante onttrekkingsrisico is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval geen minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij is met name van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en hij meermaals heeft verklaard niet vrijwillig terug te willen keren naar Duitsland. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verweerder voornemens is eiser op korte termijn over te dragen, namelijk op 1 december 2025. De omstandigheid dat het één week heeft geduurd om eisers medische informatie te verzamelen en de overdracht naar Duitsland in te plannen en vervolgens twee weken duurt voordat de overdracht plaatsvindt, acht de rechtbank, hoewel zij het voorstelbaar vindt dat eiser de bewaring gelet op zijn psychische problematiek als belastend ervaart, niet onredelijk lang. Verweerder is voor de overdracht afhankelijk van derden, zoals de Duitse autoriteiten. Daarbij is het van belang dat de overdracht van eiser zorgvuldig verloopt, mede gelet op zijn medische gesteldheid. Gezien het eerder toegelichte significante onttrekkingsrisico heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij niet heeft gewacht met de beslissing om eiser in bewaring te stellen.
8. Verder is niet gebleken dat de inbewaringstelling onevenredig bezwarend is voor eiser of dat eiser detentieongeschikt is. Uit de maatregel van bewaring volgt dat verweerder eisers medische gesteldheid en zijn suïcidale uitlatingen aangaande zijn verplichte terugkeer naar Duitsland bij de beoordeling heeft meegewogen. Verweerder heeft in dat kader voldoende toegelicht op welke wijze rekening wordt gehouden met eisers medische toestand. Zo is eisers detentiegeschiktheid voorafgaand aan zijn inbewaringstelling beoordeeld door de medische dienst van het detentiecentrum. Daarbij is gebleken dat eiser niet detentieongeschikt is. Verweerder merkt ook terecht op dat in het detentiecentrum adequate medische zorg aanwezig is waar eiser een beroep op kan doen en dat de zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de zorg in de vrije maatschappij. Bovendien is er voor personen met psychische problemen gespecialiseerde zorg aanwezig. Ook heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende toegelicht dat de veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van eiser voldoende wordt gewaarborgd. Eiser is in een observatiecel geplaatst waar constant toezicht is. Dit is een vergaande inbreuk op de persoonlijke integriteit van eiser maar verweerder heeft ter zitting voldoende toegelicht dat deze plaatsing gelet op de veiligheid noodzakelijk is en de rechtbank gaat er van uit dat deze plaatsing niet langer zal duren dan strikt noodzakelijk. Voor zover eiser meent dat de (toegang tot de) zorg in het detentiecentrum onvoldoende is, kan hij hierover klagen bij het detentiecentrum. Ook kan eiser bij de directie van het detentiecentrum een verzoek indienen om te worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat als de medische dienst in het detentiecentrum constateert dat een medische opname in het door eiser verzochte [medische dienst] ofwel een ziekenhuis geschikter is voor eiser om zijn terugkeer op 1 december 2025 naar Duitsland af te wachten, verweerder eiser zal overplaatsen.
9. Aan eiser is tijdens het vertrekgesprek van 6 oktober 2025 meegedeeld dat hij in bewaring kan worden gesteld indien hij niet meewerkt aan zijn medisch gefaciliteerde overdracht aan Duitsland. Aan hem is daarmee tijdig kenbaar gemaakt dat een inbewaringstelling tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij komt dat niet is gebleken van een toezegging van verweerder dat eiser niet in bewaring zou worden gesteld. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder dan ook niet het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit al het bovenstaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor inbewaringstelling.
10. Voor zover eiser opmerkt dat er onduidelijkheid is over enerzijds een door hem eerder ondertekende gezondheidsverklaring en anderzijds een latere medische toestemmingsverklaring, heeft verweerder voldoende toegelicht dat de eerder ondertekende gezondheidsverklaring een weergave betreft van de medische situatie van eiser op dat moment. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding om te concluderen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
11. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 november 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. .
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:20099.