ECLI:NL:RBDHA:2025:22246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL24.33552
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag visum kort verblijf wegens onvoldoende bewijs van doel en omstandigheden van verblijf

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf. Eiser, geboren in 1990 en van Dominicaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend om zijn partner in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd afgewezen door de minister van Buitenlandse Zaken, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet voldoende waren aangetoond. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de afwijzing bleef in stand. De rechtbank heeft het beroep van eiser gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Dit betekent dat de afwijzing van het visum blijft bestaan, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland tijdig te verlaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de sociale en economische binding van eiser met de Dominicaanse Republiek onvoldoende is aangetoond. Eiser heeft geen overtuigend bewijs geleverd van zijn economische situatie en zijn sociale binding met zijn land van herkomst is als gering beoordeeld. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister niet verplicht was om eiser te horen in de bezwaarprocedure, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank heeft de proceskosten en het griffierecht aan eiser toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33552
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Franca).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De weigering van het visum houdt dus stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 februari 2024 afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond en het voornemen om het grondgebied van de lidstaat voor het verstrijken van het visum tijdig te verlaten niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 29 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, [naam] als referente en partner van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf met als doel om op bezoek te gaan bij [naam] (referente). Bij de visumaanvraag en in het bezwaarschrift heeft eiser verklaard dat referente en hij een liefdesrelatie hebben.
3.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet is aangetoond en omdat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering gebleken. Er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaat te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagd visum.
Juridisch kader
4. In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Verweerder heeft een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is. De rechtbank kan het bestreden besluit daarom slechts terughoudend toetsen.
4.1.
Een visum voor kort verblijf wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Ook wordt het geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek naar de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, diens persoonlijke omstandigheden, met name diens gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, maar moet bepalen of er redelijke twijfel over dat voornemen bestaat. [1] Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig naar het land van herkomst terug te keren, mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van eiser met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Beoordeling door de rechtbank
Doel en omstandigheden
5. Eiser stelt dat hij ten tijde van de aanvraag duidelijk het doel van het voorgenomen verblijf uiteen heeft gezet. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom het doel en de omstandigheden onvoldoende zijn aangetoond. Hieraan kleeft dan ook een motiveringsgebrek.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit geen dragende motivering heeft als het aankomt op het tegenwerpen van de eerste weigeringsgrond. In het bestreden besluit staat opgenomen dat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf niet heeft aangetoond, maar in het besluit is niet gemotiveerd waarom hiervan sprake is. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat het doel is om de partner te bezoeken, maar dat daaraan getwijfeld wordt, omdat eiser wil inburgeren en dit er voor zorgt dat eiser zich hier langdurig wil vestigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met die aanvullende motivering echter nog steeds onvoldoende heeft uiteengezet waarom het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. De relatie tussen referente en eiser staat niet ter discussie. Als het standpunt van verweerder is dat eiser niet een kortdurend verblijf in Nederland beoogt, dan merkt de rechtbank op dat die tegenwerping betrekking heeft op het vestigingsgevaar. Dat ziet niet op het doel en omstandigheden van het verblijf. Het beroep is op dit punt dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
5.2.
De rechtbank ziet echter reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit omdat verweerder zich wel op het standpunt heeft kunnen stellen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit is een zelfstandige grond om het visum te weigeren. De rechtbank zal dit hieronder verder toelichten.
Sociale binding
6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de tijdige terugkeer van eiser naar de Dominicaanse Republiek redelijkerwijs niet gewaarborgd is te achten. Eiser heeft een kind dat woonachtig is in de Dominicaanse Republiek, hij heeft een sterke band met zijn kind. Hij is daar geboren en heeft daar zijn leven opgebouwd.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat de sociale binding van eiser met de Dominicaanse Republiek gering is. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat hij 34 jaar is, ongehuwd, alleen woont en een minderjarig kind heeft dat bij de moeder woont. Gelet hierop bestaat er geen sociale band met de Dominicaanse Republiek voor wat betreft een eigen gezin, waarvoor eiser de verantwoordelijkheid draagt. Dat zijn ouders en twee broers in de Dominicaanse Republiek verblijven, betekent nog niet dat de sociale binding van eiser met de Dominicaanse Republiek zodanig sterk is dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is. Niet is gebleken dat eiser de zorg heeft voor directe familieleden of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser zouden dwingen tijdig naar de Dominicaanse Republiek terug te keren. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Economische binding
7. Eiser stelt dat hij wel een economische binding heeft met de Dominicaanse Republiek nu hij daar werkzaam is.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van een economische binding met de Dominicaanse Republiek. Zo is niet aannemelijk gemaakt dat eiser over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt in de Dominicaanse Republiek om zelfstandig in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Eiser stelt werkzaam te zijn als barber in de kapperszaak [bedrijf] , maar heeft bij de visumaanvraag noch in bezwaar aangetoond dat hij daadwerkelijk beschikt over het gestelde maandsalaris. De enkele overlegging van een werkgeversverklaring is hiertoe onvoldoende. Ook de enkele stelling dat eiser het salaris contant krijgt, is ontoereikend om aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat hij het gestelde salaris ook daadwerkelijk ontvangt.
7.2.
Ten aanzien van de gestelde functie als [functie] heeft verweerder terecht opgemerkt dat er bij de visumaanvraag en tijdens de bezwaarprocedure geen objectief verifieerbare stukken zijn aangeleverd om de gestelde functie aan te tonen dan wel aannemelijk te maken.
7.3.
In beroep is gebleken dat eiser niet meer bij [bedrijf] werkt, maar voor zichzelf is begonnen. Hij heeft ter onderbouwing een visitekaartje en een huurcontract overgelegd. Nog daargelaten de vraag of dat kan worden meegenomen gelet op de ex tunc toetsing, heeft verweerder zich aanvullend op de zitting op het standpunt kunnen stellen dat ook met de nieuwe gegevens de economische binding onvoldoende is gebleken. Referente heeft in dit verband naar voren gebracht dat het in de Dominicaanse Republiek normaal is om met contanten te betalen. De rechtbank begrijpt dat dit gebruikelijk is, maar verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat hij ook geen administratie of bankafschriften heeft overgelegd ter nadere onderbouwing van zijn inkomen. Dat sprake is van een cash-economie doet daaraan niet af. Dat betekent namelijk niet dat eiser niet op andere manieren kan aantonen dat hij een regelmatig en afdoende substantieel inkomen ontvangt en afdoende economische binding heeft.
7.4.
Conclusie is dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een geringe sociale en economische binding met de Dominicaanse Republiek en dat daardoor twijfel ontstaat over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren. Omdat dit een zelfstandige weigeringsgrond is, heeft verweerder de aanvraag voor het visum op goede grond afgewezen.
Garantiesom/meldplicht
8. Eiser voert aan dat hij ertoe bereid is om zich in persoon en met paspoort te melden bij de Nederlandse vertegenwoordiging in de Dominicaanse Republiek om te kunnen laten vaststellen dat hij daadwerkelijk tijdig is teruggekeerd. Hij is ook bereid om een verklaring van die strekking te ondertekenen, een garantiesom te deponeren en een retourticket te overleggen, voordat in zijn paspoort een sticker van een visum voor kort verblijf wordt geplaatst.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voorbij heeft kunnen gaan aan het aanbieden van een garantiesom en meldplicht. Eiser voldoet immers niet aan alle voorwaarden voor visumafgifte. Verweerder moet dan het visum weigeren.
Hoorplicht
9. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat het onzorgvuldig is dat hij niet is gehoord.
9.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb [2] kan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf meteen duidelijk blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beschikking.
9.2.
De Afdeling [3] heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 [4] uiteengezet dat horen in bezwaar het uitgangspunt is en dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure. Daarbij heeft de Afdeling ook uiteengezet dat het minder vanzelfsprekend is om van het horen af te zien als een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of wanneer er nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting, aldus de Afdeling.
9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen afzien van het horen in bezwaar, omdat uit het bezwaarschrift zelf meteen duidelijk is dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat, ondanks dat er wel bewijsstukken zijn ingediend, er geen stukken zijn ingediend die de economische binding onderbouwen. De stukken die eiser heeft overgelegd met betrekking tot de inburgering, duiden niet op sociale binding met de Dominicaanse Republiek. Het zorgvuldigheidsbeginsel is daarmee niet geschonden.
9.4.
Het enkele feit dat verweerder in de bezwaarfase heeft verzocht om een standaard vragenlijst in te vullen, betekent nog niet dat de bezwaren niet aanstonds ongegrond kunnen worden bevonden. Verweerder heeft in de bezwaarfase van het horen kunnen afzien. De beroepsgrond faalt.
9.5.
Tot slot merkt de rechtbank nog het volgende op. Als iemand aan één van de voorwaarden niet voldoet, moet verweerder het visum weigeren. De rechtbank kan goed begrijpen dat het voor referente belangrijk is dat eiser, haar partner, naar Nederland komt, zodat hij de cultuur kan leren kennen, voordat hij beslist of hij zich hier definitief wil vestigen en een mvv [5] -procedure start. De rechtbank begrijpt ook dat referente bereid is zich garant te stellen en zich graag aan procedureregels wil houden, maar dit betekent niet dat verweerder daarom het visum moet verlenen. Zoals gezegd moet verweerder weigeren als aan een van de voorwaarden van de Visumcode niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op wat de rechtbank onder rechtsoverweging 5.2 en verder heeft overwogen is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit, maar laat zij de rechtsgevolgen van het besluit in stand met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een visum voor kort verblijf in stand blijft.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Machtiging tot voorlopig verblijf.