ECLI:NL:RBDHA:2025:22241

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL:TZ:2502182:R-RK en NL:TZ:2502183:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
FaillissementswetArt. 287 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goed vertrouwen en nakoming

De heer en mevrouw hebben een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) met een verzoek tot vervroegde ingangsdatum. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld op 6 november 2025 en op 20 november 2025 uitspraak gedaan.

Uit het schuldenoverzicht blijkt een problematische schuldenlast van €218.481,82, waarmee aan de eerste toelatingsvoorwaarde is voldaan. De schulden zijn grotendeels ontstaan door de slechte gang van zaken van de onderneming van de heer, die als zelfstandig ondernemer actief is. De rechtbank acht het echter niet aannemelijk dat de rechter-commissaris toestemming zal geven voor voortzetting van zijn zelfstandige activiteiten, mede vanwege onvoldoende controleerbare administratie.

Mevrouw werkt parttime en heeft nog niet gesolliciteerd naar fulltime werk vanwege zorg voor de kinderen. Daarnaast zijn er onduidelijkheden en ontbrekende schulden in het overzicht, waaronder terug te betalen toeslagen en schulden aan het CJIB. De rechtbank concludeert dat er gegronde vrees bestaat dat de heer en mevrouw de verplichtingen uit de WSNP niet naar behoren zullen nakomen.

Ook is onvoldoende aannemelijk dat zij te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, mede door het sturen van geld naar Polen en recente boetes. Het beroep op de hardheidsclausule wordt verworpen omdat de omstandigheden niet onder controle zijn. De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de WSNP af.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de WSNP wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goed vertrouwen en nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2502182:R-RK en NL:TZ:2502183:R-RK
uitspraakdatum: 20 november 2025
[naam 1],
geboren op [geboortedatum 1] 1976 te [geboorteplaats 1] ,
handelend onder de naam [bedrijf] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
en
[naam 2],
geboren op [geboortedatum 2] 1980 te [geboorteplaats 2] ,
beiden wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
hierna: de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] bevinden zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor de schulden te komen hebben de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.

1.De procedure

1.1.
De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP, waarbij is verzocht om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering eerder in te laten gaan.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 6 november 2025. Op de zitting verschenen:
 de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] ,
 M. van Burken, tolk,
 [naam 3] , schuldhulpverlener van de gemeente Leiden.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling van het verzoek

2.1.
De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] kunnen alleen worden toegelaten tot de WSNP als zij aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen. Die voorwaarden zijn dat voldoende aannemelijk moet zijn dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] in een problematische schuldensituatie verkeren en dat voldoende aannemelijk is dat zij de verplichtingen van de WSNP zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ook moet voldoende aannemelijk zijn dat zij in de afgelopen drie jaar te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden.
2.2.
Uit het overgelegde schuldenoverzicht volgt een schuldenlast van € 218.481,82. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in de huidige situatie sprake van een problematische schuldenlast en is aan de eerste voorwaarde als bedoeld onder 2.1. voldaan.
2.3.
De schulden zijn grotendeels het gevolg van de slechte gang van zaken van de onderneming van de heer [naam 1] , die sinds 2006 handelt onder de naam [bedrijf] . De heer [naam 1] heeft aangegeven dat hij van plan is zijn activiteiten als zelfstandig ondernemer voort te zetten indien de WSNP op hem van toepassing wordt verklaard. Hoewel de wet ondernemers niet uitsluit van toepassing van de WSNP, dient de rechter-commissaris toestemming te geven voor het voortzetten van een zelfstandig beroep of bedrijf. Ter zitting heeft de heer [naam 1] te kennen gegeven dat het gebruikelijk is dat hij zijn opdrachten mondeling verkrijgt en dat later (uitsluitend) een factuur wordt gemaakt. Nu controle op deze wijze van administreren door een bewindvoerder niet of onvoldoende mogelijk is acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de rechter-commissaris in de WSNP toestemming zal geven voor voortzetting van de zelfstandige activiteiten.
Mevrouw [naam 2] werkt in loondienst. Zij heeft een contract voor 24 uur per week, maar heeft de afgelopen maanden 20 uur per week gewerkt. Hoewel het mevrouw [naam 2] duidelijk is dat zij op zoek dient te gaan naar fulltime werk heeft zij vanwege de zorg voor haar kinderen tot dusver niet gesolliciteerd. In de overgelegde eigen verklaringen hebben zowel de heer [naam 1] als mevrouw [naam 2] te kennen gegeven dat mevrouw [naam 1] vanwege de zorg voor de kinderen niet meer dan 24 uur per week kan werken.
De rechtbank neemt tenslotte in aanmerking dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] in de periode van januari 2025 tot en met oktober 2025 toeslagen van de belastingdienst hebben ontvangen die moeten worden terugbetaald. Deze schulden staan niet op het overgelegde schuldenoverzicht en de omvang is niet duidelijk. Ook is gebleken van schulden aan het CJIB van in totaal € 4.552,22, terwijl uit het overgelegde schuldenoverzicht volgt dat slechts sprake is van één schuld van € 41,00 aan het CJIB. Ook deze schulden staan niet op het overgelegde schuldenoverzicht. Niet is gebleken dat de financiële situatie stabiel is.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde als bedoeld onder 2.1. en omdat er gegronde vrees bestaat dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zullen (kunnen) nakomen.
2.4.
Ter zitting heeft de heer [naam 1] te kennen gegeven dat hij veel geld naar Polen heeft gestuurd in verband met ziektekosten van zijn moeder, als gevolg waarvan schulden in Nederland onbetaald zijn gebleven. Ook is het de rechtbank gebleken dat een bedrag van € 759,00 van de schulden aan het CJIB ziet op een strafbeschikking geldboete die zeer recent is opgelegd. Tenslotte zijn in het minnelijk traject nieuwe schulden aan de belastingdienst ontstaan, omdat meneer [naam 1] en mevrouw [naam 2] toeslagen hebben ontvangen terwijl zij hier gelet op de hoogte van hun inkomen geen recht op hadden.
Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het bovenstaande onvoldoende aannemelijk geworden dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald blijven van de schulden.
2.5.
De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Dit beroep gaat niet op, omdat het de rechtbank niet is gebleken dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden onder controle hebben gekregen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van
[naam 1] en [naam 2] af.
Dit is een beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met F.J. Knaap LL.B., griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.