ECLI:NL:RBDHA:2025:22230

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
24/693
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening van een watervergunning en de relevantie van privaatrechtelijke belemmeringen

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025, met zaaknummer SGR 24/693, wordt de verlening van een watervergunning aan JdB GWW B.V. beoordeeld. De vergunning betreft werkzaamheden voor het bouw- en woonrijp maken van een locatie in [plaats]. Eisers, bewoners van nabijgelegen woningen, zijn het niet eens met de verleende vergunning en hebben beroep ingesteld. Zij stellen dat de sloot achter hun woningen ten onrechte als oppervlaktewater is aangemerkt, wat hen nadelige gevolgen zou opleveren, zoals verlies van zeggenschap over hun eigendomsgrond. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de eisers geen gelijk krijgen. De rechtbank legt uit dat de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden kent en dat privaatrechtelijke belemmeringen niet relevant zijn voor de verlening van de watervergunning. De rechtbank concludeert dat de vergunning terecht is verleend en dat de eisers geen procesbelang hebben, omdat hun beroepsgronden niet slagen. De uitspraak bevestigt dat de watervergunning in stand blijft en dat eisers geen vergoeding van proceskosten ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/693

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. B. Benard),
en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland

(gemachtigde: D.C. van der Vecht).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een vergunning op grond van de Waterwet (watervergunning) voor het uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot het bouw- en woonrijp maken van de [locatie] aan de [adres 1] in [plaats] . Eisers zijn het hiermee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 9 maart 2023 heeft het college aan JdB GWW B.V. (vergunninghoudster) een watervergunning verleend voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden in het kader van het project [project] in [plaats] (het project). De werkzaamheden betreffen het uitvoeren van werkzaamheden dieper dan 1,5 meter beneden het maaiveld in een kwel- en opbarstgevoelige polder.
2.1.
Met het besluit van 14 december 2023 (het bestreden besluit) heeft het college
– voor zover hier van belang – het bezwaar van eisers tegen het besluit van 9 maart 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is in geschil?
3. Eisers wonen aan de [adres 2] in [plaats] . Achter hun achtertuinen loopt een kleine sloot. Deze sloot bevindt zich deels op gronden die in eigendom toebehoren aan eisers. Daarachter bevindt zich het terrein waar het nieuwbouwproject [project] is voorzien. De watervergunning is verleend ten behoeve van dat project. Volgens eisers is de sloot achter hun woningen door het college ten onrechte aangemerkt als oppervlaktewater. Dat de sloot als gevolg hiervan op de legger is opgenomen en dat hiervoor de bestreden watervergunning is verleend, heeft volgens eisers grote nadelige gevolgen voor hen. Eisers vrezen dat zij als gevolg hiervan de zeggenschap over de sloot verliezen en niet meer vrijelijk over hun eigen grond kunnen beschikken. Uitvoering van de vergunde werkzaamheden maakt volgens eisers inbreuk op hun eigendomsrecht.
Procesbelang
4. Het college stelt zich op het standpunt dat eisers geen procesbelang hebben. Volgens het college verzetten eisers zich hoofdzakelijk tegen het opnemen van de sloot op de legger en de verplichtingen die daaruit voor hen voortvloeien. Vernietiging van het bestreden besluit wijzigt hier volgens het college echter niets aan, zodat eisers met hun beroep niet kunnen bereiken wat hen voor ogen staat.
4.1.
De rechtbank volgt het college niet in dit standpunt. Eisers beogen met hun beroep vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van de watervergunning, omdat zij willen dat de vergunde werkzaamheden niet worden uitgevoerd. Dat resultaat kunnen zij bij een gegrond beroep bereiken, zodat zij procesbelang hebben.
Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de watervergunning vóór 1 januari 2024 is aangevraagd, blijft de Waterwet en de onderliggende regelgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing. [1]
Toetsingskader
6. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet is een oppervlaktewaterlichaam een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.
Uit ditzelfde artikel volgt dat onder watersysteem wordt verstaan: een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;
6.1.
In artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat de toepassing van deze wet is gericht op:
a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met
b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en
c. vervuiling van maatschappelijke functies door watersystemen.
6.2.
Artikel 6.13 van de Waterwet biedt de grondslag om in een verordening van een waterschap, zoals de Keur, te bepalen dat voor andere handelingen dan reeds genoemd in de artikelen 6.2 tot en met 6.5 van de Waterwet een vergunning is vereist. [2]
6.3.
Op grond van artikel 6.21 van de Waterwet wordt een vergunning geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1.
6.4.
Op grond van bijlage 1 bij de Keur Rijnland 2020 (Keur) wordt onder oppervlaktewater verstaan: een watergang, kanaal, meer, sloot en een al dan niet droogstaande greppel die in open verbinding met andere oppervlaktewateren staat en/of onderdeel van het watersysteem uitmaakt.
6.5.
Op grond van artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder l, onderdeel iii van de Keur is het verboden om zonder vergunning van dijkgraaf en hoogheemraden grond te verzetten in een kwetsbaar kwelgebied, wanneer dieper dan 1,5 meter onder maaiveld wordt gegraven.
Was het college bevoegd tot het verlenen van de vergunning?
7. Voor zover eisers betogen dat het college niet bevoegdheid was om deze vergunning te verlenen omdat het in dit geval niet gaat om een oppervlaktewaterlichaam maar om een door eisers zelf gegraven en regelmatig droogstaande greppel, slaagt dat niet. De rechtbank verwijst naar de definitie van oppervlaktewater in de Keur, die ook ziet op droogstaande greppels, die in verbinding met andere oppervlaktewateren staan. Dat de sloot achter de tuinen van eisers in verbinding staat met andere oppervlaktewateren is niet in geschil. Het college heeft de sloot daarom terecht als oppervlaktewater aangemerkt.
Had de watervergunning geweigerd moeten worden?
8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [3] volgt dat artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden kent. Een weigering van de aangevraagde watervergunning is slechts aan de orde voor zover de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet.
8.1.
Wat eisers hebben aangevoerd ziet niet op verenigbaarheid van de aanvraag met de doelstellingen die zijn vermeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet. Eisers hebben zich met name gericht tegen het in hun ogen ten onrechte opnemen van de sloot op de legger en de verplichtingen die hieruit voor hen voortvloeien. Nu het bestreden besluit hierop geen betrekking heeft, kunnen deze beroepsgronden niet slagen. Voor zover eisers aanvoeren dat sprake is van een inbreuk op hun eigendomsrecht doordat de vergunde werkzaamheden deels het perceel van eisers betreffen, overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat bij de verlening van een watervergunning niet relevant is of mogelijk sprake is van een privaatrechtelijke belemmering, ook niet als deze een evident karakter heeft. Het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering valt namelijk niet te herleiden tot de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet. Gelet daarop kan de watervergunning op basis daarvan niet worden geweigerd. Anders dan eisers aannemen doet de verleende watervergunning ook geen afbreuk aan hun eigendomsrecht. De verleende watervergunning behelst een publiekrechtelijke toestemming, die inhoudt dat er geen waterstaatkundige bezwaren tegen de aangevraagde werkzaamheden bestaan. Dit laat onverlet dat voor uitvoering van deze werkzaamheden nog andere vergunningen en toestemmingen – waaronder die van de eigenaren van de betrokken gronden – nodig kunnen zijn alvorens daadwerkelijk tot uitvoering kan worden overgegaan. Of dergelijke toestemmingen zijn vereist, speelt echter geen rol bij beantwoording van de vraag of de watervergunning al dan niet kan worden verleend.
8.2.
De gronden van eisers slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2328.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2747.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:58 en van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:302.