ECLI:NL:RBDHA:2025:22213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.54219
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Roemeense vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 3 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. R.M. Seth Paul, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De minister heeft de maatregel op 11 november 2025 opgeheven, waardoor de rechtbank zich moest buigen over de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode van bewaring.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister het document M122, dat essentieel is voor de informatievoorziening aan de vreemdeling, niet aan eiser heeft verstrekt. Dit gebrek in het voortraject werd door de rechtbank erkend, maar de rechtbank oordeelde dat de ernst van dit gebrek niet opwoog tegen de belangen die met de maatregel van bewaring waren gediend. De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, en dat de minister zijn inspanningsverplichting niet had geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 1.814,00.

De uitspraak benadrukt de noodzaak van zorgvuldigheid in het voortraject van bewaring en de afweging van belangen in vreemdelingenrechtelijke procedures. De rechtbank heeft de uitspraak openbaar gemaakt op 24 november 2025, en tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54219
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 11 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Roemeense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
M122
3. Eiser stelt dat het document M122 ten onrechte ontbreekt in zijn dossier en dat hij dit document ook nooit overhandigd heeft gekregen. Daarmee is sprake van een gebrek in het voortraject. Hierdoor moet de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvallen. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 mei 20231.
4. De rechtbank overweegt dat volgens paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) de minister door middel van het model M122 de vreemdeling op de hoogte stelt dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister het model M122 niet aan eiser heeft uitgereikt. Er kleeft in zoverre een gebrek aan het voortraject. Naar het oordeel van de rechtbank weegt echter de ernst van het gebrek in dit geval niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring zijn gediend. In het proces-verbaal inzake de ophouding van 3 november 2025 (M105-A) is vermeld dat de vreemdeling aansluitend op strafrechtelijke detentie is overgenomen en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, zodat duidelijk is dat deze bevoegdheid is gebruikt. Verder volgt uit wat hieronder is overwogen dat de minister terecht heeft gesteld dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van de minister. De beroepsgrond slaagt niet. Wel ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Inspanningsverplichting

5. Eiser stelt dat de minister niet heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie. Hiertoe voert eiser aan dat de strafrechtelijke registratiekaart op 17 oktober 2025 is aangemaakt en met als einddatum 3 november 2025. De minister had vanaf 17 oktober 2025 dus al uitzettingshandelingen kunnen verrichten. Dat is nu niet gebeurd.
6. De rechtbank stelt op grond van de registratiekaart [locatie] van 17 oktober 2025 vast dat eiser vanaf 13 oktober 2025 in strafrechtelijke detentie heeft verbleven. Uit dit document volgt ook dat de einddatum van eisers strafrechtelijke detentie 3 november 2025 is. Dat betekent dat eiser van 13 oktober 2025 tot 3 november 2025 in strafrechtelijke detentie heeft verbleven en daarna direct is overgedragen aan de vreemdelingenpolitie.
7. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling direct na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld. Daarbij overweegt de rechtbank dat eisers verblijf in strafrechtelijke detentie relatief kort was – namelijk 22 dagen –, dat op 6 november 2025 een vlucht is aangevraagd en dat eiser op 11 november 2025 met escorts is uitgezet naar Roemenië. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister zijn inspanningsverplichting niet heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de door eiser gemaakte proceskosten vanwege het onder 4 vastgestelde gebrek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.