ECLI:NL:RBDHA:2025:22200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.55145
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en zicht op uitzetting in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling. De eiser, die in deze procedure wordt vertegenwoordigd door mr. A. Agayev, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 9 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 22 oktober 2025, en dat de toetsing van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel zich beperkt tot de periode daarna.

De rechtbank heeft overwogen dat er zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat, gebaseerd op informatie van de DT&V en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat de situatie van de eiser ongewijzigd is ten opzichte van eerdere procedures, en dat hij onvoldoende heeft gedaan om zijn identiteit vast te stellen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend handelt in de uitzettingsprocedure, en dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van de eiser ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55145

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het
vooronderzoek is op 17 november 2025 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 oktober 2025 (in de zaak NL25.49621) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 oktober 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 22 oktober 2025 tot 17 november 2025.
Zicht op uitzetting
3. Eiser stelt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria ontbreekt.
4. De rechtbank stelt voorop dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de, niet bestreden, mededeling in de maatregel van bewaring dat uit informatie van DT&V blijkt dat Nigeria medewerking verleent aan gedwongen terugkeer, en naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707, en 27 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2418.
5. De rechtbank merkt op dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Nigeria eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 27 oktober 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 4.1. van deze uitspraak. De situatie is ongewijzigd en ook het tijdsverloop sinds de uitspraak van 27 oktober 2025 is niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om anders over de beroepsgrond te oordelen. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser verschillende verklaringen heeft afgelegd over zijn nationaliteit en geen activiteiten heeft ondernomen om alsnog aan identiteitsdocumenten te komen. Van eiser mag dit wel worden verwacht. Bovendien blijkt uit de voortgangsrapportage niet dat de Nigeriaanse autoriteiten de laissez passer (lp) aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
6. Eiser stelt daarnaast dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
7. Uit de voortgangsrapportage van 11 november 2025 volgt dat verweerder na het rappel van 16 oktober 2025, op 11 november 2025 nog een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.