In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiser behandeld dat is ingediend omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van 10 februari 2025. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld. De wet vereist dat de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslist. In dit geval zou de beslistermijn op 10 augustus 2025 verstrijken, maar omdat deze datum op een zondag valt, verschuift de uiterste beslistermijn naar maandag 11 augustus 2025. Eiser heeft echter een ingebrekestelling ingediend op 11 augustus 2025, wat door de rechtbank als prematuur wordt beschouwd. Hierdoor voldoet het beroep niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank concludeert dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen-Telman, in aanwezigheid van griffier A.W. Landman, en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl. Eiser heeft de mogelijkheid om binnen zes weken na de bekendmaking van de uitspraak een verzetschrift in te dienen als hij het niet eens is met de uitspraak.