In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, gaat het om een beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van 5 april 2024. Eiser heeft op 15 april 2024 een asielaanvraag ingediend en heeft de minister op 15 augustus 2025 in gebreke gesteld, waarna hij beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De rechtbank heeft bepaald dat de minister alsnog een besluit moet nemen op de aanvraag, rekening houdend met het '8+8 wekenmodel'. De rechtbank legt een kortere beslistermijn op, waarbij de minister uiterlijk op 2 maart 2026 een besluit moet nemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, is hij een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl en is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, in aanwezigheid van griffier K.D.M. Nijholt.