In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie behandeld. Eiseres had eerder een beroep ingesteld dat gegrond werd verklaard, waarbij de minister werd opgedragen om binnen twee weken een besluit te nemen op haar asielaanvraag. De rechtbank had ook bepaald dat bij overschrijding van deze termijn een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-, moest worden betaald door de minister.
In deze procedure, die het vierde beroep betreft, stelt eiseres dat de minister niet tijdig heeft beslist op haar asielaanvraag van 30 december 2022. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, aangezien de minister niet binnen de opgelegde termijn een besluit heeft genomen. De rechtbank legt de minister opnieuw een beslistermijn van twee weken op, te rekenen vanaf de bekendmaking van deze uitspraak.
De rechtbank benadrukt dat in gevallen waarin de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, een kortere beslistermijn passend is. De rechtbank legt een nieuwe dwangsom op van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-, die ingaat op 13 januari 2026, na afloop van de eerder opgelegde dwangsom. De minister wordt ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50.