ECLI:NL:RBDHA:2025:22106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.53545
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdelingenbewaring en de toepassing van vrijheidsontnemende maatregelen in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de vreemdelingenbewaring van eiseres, die met een vals paspoort Nederland is binnengekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiseres is opgelegd, op grond van artikel 6, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000, terecht is. Eiseres had eerder toegang tot het Schengengebied, maar de rechtbank oordeelt dat zij niet op rechtmatige wijze is binnengekomen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiseres, waaronder de stelling dat zij slachtoffer is van geweld en mensenhandel, niet kunnen volgen. De rechtbank concludeert dat de zware gronden voor de vrijheidsontneming, zoals het gebruik van valse documenten, voldoende zijn om de maatregel te rechtvaardigen. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, evenals haar verzoek om schadevergoeding. De rechtbank wijst erop dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53545

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Berger),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

1. Bij besluit van 28 oktober 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 11 november 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 12 november 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 14 november 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiser het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiseres voert aan dat zij reeds toegang had tot het Schengengebied. Zij is immers toegelaten tot Spanje, zoals blijkt uit de sticker in haar paspoort. Haar asielverzoek kan daarom niet in de grensprocedure worden behandeld en zij kan niet in grensdetentie worden geplaatst. Om dezelfde reden kan zware grond 3a niet worden tegengeworpen. Ten aanzien van zware grond 3g voert eiseres aan dat niets erop wijst dat zij de intentie had om de autoriteiten te misleiden, zodat de tegenwerping onvoldoende is gemotiveerd. Met betrekking tot de lichte grond 4c voert eiseres aan dat haar niet mag worden tegengeworpen dat ze geen vaste woon- of verblijfplaats heeft omdat zij niet eens de tijd heeft gehad om zich in te schrijven in de Basisregistratie personen (BRP), omdat ze direct werd gedetineerd. Over lichte grond 4d merkt eiseres op dat het niet uitmaakt dat zij haar uitreis niet kan betalen omdat zij, als Dublinclaimant, de Dublinoverdracht ook niet hoeft te bekostigen. Verder voert eiseres aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiseres is slachtoffer van geweld en mensenhandel. Dat maakt haar bijzonder kwetsbaar. Verder voert eiseres aan dat Justitieel Complex Schiphol (JCS) niet voldoet aan de Opvangrichtlijn. [1] Eiseres zit met mannelijke asielzoekers op dezelfde afdeling en wordt ’s nachts opgesloten. Eiseres wijst daarbij ook op de prejudiciële vragen deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. [2]
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Niet in geschil is dat het paspoort waarmee eiseres Nederland is ingereisd, vals is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres met een stempel uit Spanje in dat valse paspoort niet heeft aangetoond dat zij op rechtmatige wijze toegang heeft gekregen tot het Schengengebied. Nu ook overigens niet van een rechtmatige toetreding tot het Schengengebied is gebleken, kan deze beroepsgrond van eiseres niet slagen.
8. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder de zware grond 3a terecht heeft tegengeworpen. Niet is gebleken dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland. Daarnaast is ook de zware grond 3g terecht tegengeworpen. Eiseres heeft immers een paspoort aangeboden van een nationaliteit en met een foto die niet de hare zijn. De stelling van eiseres dat zij niet de intentie had de autoriteiten te misleiden, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af. Eiseres heeft het document aangeboden, terwijl zij wist dat het niet haar paspoort was en zij niet de persoon op de foto was. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3g feitelijk juist zijn. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. De overige beroepsgronden ten aanzien van de lichte gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
9. Zoals hiervoor is overwogen, heeft eiseres aan de grens een asielaanvraag gedaan terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. Onder deze omstandigheden mag verweerder in beginsel een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid van de Vw opleggen tenzij bijzondere omstandigheden ertoe nopen om hiervan af te zien.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is van dergelijke omstandigheden niet gebleken. Verweerder heeft in de asielgronden van eiseres geen aanleiding hoeven zien om af te zien van oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] hoeft verweerder bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. [4] Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn.
11. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat JCS niet voldoet aan de voorwaarden van de Opvangrichtlijn. In dat verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat JCS wel aan de voorwaarden van de Opvangrichtlijn voldoet. [5] Verweerder wijst er terecht op dat dit ook de lijn is die de zittingsplaats Den Haag volgt. [6] Dat eiseres met mannen op dezelfde afdeling verblijven, doet daar niet aan af. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de kamers, die alle basale voorzieningen in zich hebben, moeten worden aangemerkt als huisvesting in de zin van artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn. Dat de gemeenschappelijke ruimtes gemengd zijn, maakt dat niet anders. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van deze zittingsplaats van 17 januari 2025 [7] en de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025. [8] Ten aanzien van de nachtelijke opsluiting oordeelt de rechtbank in navolging van voornoemde uitspraak van de Afdeling dat ook dit niet maakt dat JCS niet meer aan de voorwaarden van de Opvangrichtlijn voldoet.
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [9] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Richtlijn 2013/33.
2.Uitspraak van 30 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4570.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.
5.Uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925.
6.Zoals blijkt uit de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:RBDHA:2025:3509.
7.Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:986.
8.Uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789, met name rechtsoverweging 3.8.
9.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.