ECLI:NL:RBDHA:2025:22100

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.21771 NL25.21775
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000Artikel 4, vijfde lid, KwalificatierichtlijnArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen Peru wegens onvoldoende geloofwaardigheid politieke vervolgingsvrees

Eisers, Peruaanse nationaliteit, dienden asielaanvragen in Nederland wegens vermeende vervolging door Peruaanse autoriteiten vanwege hun politieke overtuigingen en deelname aan demonstraties. De minister wees de aanvragen af omdat de gestelde problemen niet geloofwaardig en onvoldoende onderbouwd waren.

De rechtbank behandelde het beroep op 19 augustus 2025 en oordeelde dat de verklaringen van eisers onsamenhangend en niet aannemelijk waren. De overgelegde documenten boden geen objectief bewijs van bedreigingen of vervolging door de autoriteiten. Identificatie tijdens demonstraties werd gezien als ordehandhaving, niet als gerichte vervolging.

Ook de vermeende achtervolging en dreigtelefoontjes waren onvoldoende concreet en niet overtuigend onderbouwd. De politieke activiteiten van eisers waren marginaal en zij waren sinds hun vertrek uit Peru niet meer politiek actief. De rechtbank volgde de minister in zijn beoordeling dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af. Eisers kunnen binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.21771 en
NL25.21775Rectificatie

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, en

[eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres 1, en hun minderjarige kind,
[minderjarige], V-nummer: [V-nummer] , eiseres 2,
tezamen te noemen: eisers, (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J.J. van Doorn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Eisers zijn van Peruaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum 1] 2004 (eiser), [geboortedatum 2] 2003 (eiseres 1) en [geboortedatum 3] 2024 (eiseres 2). Eiser en
eiseres 1 hebben op 4 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Na de geboorte van eiseres 2 is ook voor haar een aanvraag gedaan.
2. De minister heeft met het besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) de asielaanvragen afgewezen als ongegrond. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en eiseres 1, hun gemachtigde, D.P. Navarrete als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer naar Peru te vrezen hebben voor hun leven en veiligheid, vanwege problemen met de
autoriteiten en aanhangers van de huidige regering. Deze problemen houden volgens eisers direct verband met hun politieke overtuigingen en uitingen. Eiser heeft verklaard dat hij op 7 december 2022 en 18 februari 2023 heeft deelgenomen aan demonstraties tegen de regering van Peru. Tijdens beide demonstraties is hij gewond geraakt. Ook is hij twee keer kortdurend door de politie vastgehouden. Naast zijn aanwezigheid bij protesten heeft eiser zijn politieke overtuiging ook kenbaar gemaakt via sociale media, onder andere door het plaatsen van berichten over de Peruaanse regering op Facebook en Instagram. In de periode na de demonstraties ontving eiser herhaaldelijk telefonische bedreigingen. Toen eiser het gevoel kreeg dat hij in de gaten werd gehouden, besloot hij samen met eiseres 1 het land te verlaten. Op 1 maart 2023 zijn eiser en eiseres 1 uit Peru gevlucht. Na hun vertrek uit Peru zijn ook de grootouders van eiser bedreigd, hetgeen de vrees voor vervolging bij terugkeer volgens eisers versterkt. Eisers 1 heeft verklaard dat zij eveneens heeft deelgenomen aan de demonstratie van 18 februari 2023, waar zij door de autoriteiten werd tegengehouden. In de dagen na dit protest verklaart zij dat eiser telefonische bedreigingen heeft ontvangen, afkomstig van aanhangers van de huidige regering, tegen wie zij zich tijdens de protesten en via sociale media kritisch hebben uitgelaten. Eiseres 2 is in Nederland geboren. Haar vrees vloeit voort uit de hierboven beschreven risico’s voor haar ouders, eiser en eiseres 1, en de bedreigingen die zij hebben ontvangen
Het bestreden besluit
6. De minister heeft met twee separate voornemens de volgende asielmotieven voor eisers relevant geacht:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en
2. politieke overtuiging en éénmalige deelname aan protestmars voor eiseres 1; en
3. problemen vanwege de deelname aan demonstraties voor eiser.
7. Bij het bestreden besluit heeft de minister de zaken van eisers gezamenlijk behandeld. De minister achter de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig, evenals hun politieke overtuiging en activiteiten. De minister acht echter de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden naar aanleiding van die overtuiging en activiteiten niet geloofwaardig. Daaraan legt de minister ten grondslag dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de gestelde problemen.i Volgens de minister hebben de door eiser overgelegde documenten niet de bewijskracht die hij daaraan gehecht wil zien. Verder heeft eiser niet concreet kunnen maken dat de Peruaanse autoriteiten hem of eiseres 1 als deelnemers aan demonstraties hebben opgemerkt. Ook baseert eiser zich slechts op vermoedens dat hij wordt gevolgd, terwijl zijn verklaringen over de dreigtelefoontjes en -berichten de minister niet overtuigen. Op grond hiervan concludeert de minister dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging hebben, noch dat zij bij terugkeer naar Peru een reëel risico op ernstige schade lopen.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Problemen door politieke activiteiten
8. Eisers voeren allereerst aan dat de onderbouwing van de minister onvoldoende is als het gaat om de onsamenhangendheid en onaannemelijkheid van hun verklaringen. Volgens eisers heeft de minister ten onrechte geoordeeld dat de aangifte en het verzoek om bescherming niet als objectief bewijs kunnen worden aangemerkt. Zij stellen dat deze documenten hun verklaringen en activiteiten ondersteunen, welke door de minister reeds geloofwaardig zijn bevonden. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar het arrest
Fathien
L.H. tegen Nederlandvan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof)ii, naar artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 maart 2025.iii Op basis hiervan stellen eisers dat de minister de documenten in ieder geval bij zijn beoordeling moet betrekken. Zij achten het daarom onbegrijpelijk dat de minister de bedreigingen niet aannemelijk acht, omdat de inhoud van de overgelegde documenten volgens hen overeenkomt met hun verklaringen. Daarnaast voert eiser aan dat hij is aangehouden ter identificatie en dat het daarom onbegrijpelijk is dat de minister desondanks heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat hij in het vizier van de Peruaanse autoriteiten staan. Ten aanzien van het oordeel van de minister dat eiser zich slechts op vermoedens baseert dat hij wordt gevolgd, stellen eisers dat dit feitelijk onjuist is: het zou gaan om objectieve observaties, waaruit eiser heeft geconcludeerd dat hij in de gaten werden gehouden. Tot slot voeren eisers aan dat de minister hun verklaringen over de dreigtelefoontjes en -berichten ten onrechte als onvoldoende overtuigend heeft aangemerkt.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eisers over de gestelde problemen onsamenhangend en niet aannemelijk zijn. De rechtbank overweegt dat de door eisers overgelegde documenten kenbaar bij de besluitvorming zijn betrokken.iv Dat de minister hieraan niet de conclusie heeft getrokken die eisers zouden willen, doet daar niet aan af. Er is immers voldaan aan de eisen die volgens de door eisers aangehaalde jurisprudentie van het Hof en de Afdeling gelden. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eisers op zichzelf summier zijn gebleven en dat de documenten geen objectieve aanwijzingen opleveren dat de gestelde bedreigingen afkomstig waren van de Peruaanse autoriteiten. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat de aangifte door de grootouders van eiser is gedaan, zodat dit stuk geen zelfstandig bewijs van de gestelde problemen vormt. Dat de inhoud deels aansluit bij de verklaringen van eiser, versterkt zijn verklaringen niet, omdat de aangifte betrekking heeft op ervaringen van de grootouders en geen directe aanwijzingen bevatten over de situatie van eiser zelf. Ook het verzoek om bescherming vormt geen bevestiging dat de beschreven gebeurtenissen zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, omdat dit stuk wederom de gestelde vrees van eiser weergeeft en geen objectieve vaststelling van feiten bevat.
10. Ten aanzien van het betoog dat eisers in het vizier van de autoriteiten zijn gekomen, overweegt de rechtbank dat uit het nader gehoor blijkt dat de identificatie tijdens de demonstratie plaatsvond in het kader van ordehandhaving. Het enkele feit dat eiser is geïdentificeerd door de autoriteiten betekent niet zonder meer dat deze hem daardoor specifiek in het vizier hadden, noch dat hij specifiek is aangehouden met het doel hem te identificeren; daarvoor zijn geen aanwijzingen. Dat geldt evenzeer voor het incident met de politie van eiseres 1. Hoe onaangenaam dit voor haar ook is geweest, levert dit geen aanwijzing op dat zij of eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stonden. Daarbij komt dat eiser zelf heeft verklaard geen prominente rol te hebben gehad tijdens de demonstratie en deze ook niet te hebben georganiseerd.v
11. Ten aanzien van de gestelde achtervolging, volgt de rechtbank eisers betoog niet. De door eiser beschreven observaties van auto’s en personen bij zijn woning zijn uitsluitend afkomstig van hemzelf en niet bevestigd door derden of door objectieve bronnen. Daarmee kan niet worden gesproken van objectieve aanwijzingen voor achtervolging. Uit het nader gehoor blijkt daarnaast dat eiser zijn vrees niet heeft gebaseerd op specifieke informatie,
maar op eigen ervaringen.vi Dit is onvoldoende concreet en te subjectief om de gestelde problemen aannemelijk te achten. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de door eiser waargenomen auto’s en personen afkomstig waren van de Peruaanse autoriteiten. De minister heeft terecht geoordeeld dat de achtervolging daarmee op vermoedens en speculaties is gebaseerd.
12. Verder heeft de minister terecht geoordeeld dat de verklaringen van eisers over de dreigtelefoontjes en -berichten onvoldoende overtuigend zijn. Eisers hebben verklaard dat sprake was van bedreigingen, zonder een duidelijke toelichting of onderbouwing van de inhoud daarvan. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser zelf niet weet van wie de bedreigingen afkomstig waren, maar er slechts van uitgaat dat deze van de autoriteiten kwamen.vii Daarnaast zijn de verklaringen van eiser in dit opzichte gebaseerd op de gebeurtenissen van zijn oma. Nu eiser nooit rechtstreeks door de autoriteiten is benaderd of aangesproken, is de rechtbank van oordeel dat ook dit onderdeel van de verklaringen niet aannemelijk is gemaakt. De beroepsgrond slaagt daarmee niet. De minister heeft de gestelde problemen vanwege de deelname aan demonstraties ongeloofwaardig mogen achten.
Vluchtelingenstatus: gegronde vrees
Politieke overtuiging en activiteiten
13. Verder voeren eisers aan dat zij bij terugkeer naar Peru te vrezen hebben voor de autoriteiten vanwege hun politiek overtuiging en activiteiten. Zij stellen dat de termen ‘diepgaand’ en ‘matig’, zoals door de minister gebruikt in zijn besluitvorming, niet aansluiten bij de jurisprudentie van het Hof en verwijzen daarbij naar de zaak
S en A tegen Nederland.viii In die zaak is geoordeeld dat de mate van diepgeworteldheid van de politieke overtuiging niet langer vereist mag worden voor het aannemen van een politieke overtuiging. Eisers stellen dat niet van belang is wat de intensiteit van de overtuiging is, maar of deze in de negatieve belangstelling van potentiële vervolgingsactoren in het land van herkomst is komen te staan. Eisers stellen dat dit bij hen het geval is
14. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Peruaanse autoriteiten op de hoogte zijn of zijn geweest van eisers activiteiten en politieke overtuiging. Uit niets blijkt dat eisers tijdens demonstraties door de autoriteiten zijn opgemerkt of dat zij via sociale media of anderszins van eisers activiteiten op de hoogte zijn geraakt. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser begin 2023 is gestopt met sociale media en sindsdien niet meer actief is. Dat eiser dit heeft verklaard met de zwangerschap van eiseres 1, doet daar niet aan af. De minister heeft er daarnaast terecht op gewezen dat de activiteiten van eisers in Peru summier en marginaal van aard waren. Uit hun verklaringen blijkt niet dat zij een actieve, significante of onderscheidende rol hebben gehad; eiser heeft slechts tweemaal aan een demonstratie deelgenomen en eiseres 1 maar één keer. Sinds hun komst naar Nederland hebben eisers zich niet politiek geuit en eiser heeft in het nader gehoor twijfelachtig verklaard over de vraag of hij bij terugkeer in Peru zijn mening opnieuw zal uiten.ix Bovendien heeft de minister ter zitting gewezen op een rapport van het EUAA uit 2023x, waaruit niet blijkt dat personen die momenteel tegen de regering protesteren op grote schaal in de problemen komen of dat dit in het verleden een wijdverspreid probleem is geweest.
15. De rechtbank acht de door de minister in dit verband gegeven motivering deugdelijk en in overeenstemming met het door eisers aangevoerde Hofarrest. Uit Informatiebericht (IB) 2024/10 volgt dat bij de beoordeling van een beroep op de
vluchtelingenstatus niet alleen betekenis toekomt aan eventueel geloofwaardig verrichte activiteiten, maar ook aan de sterkte van de politieke overtuiging en de vraag of aannemelijk is dat de vreemdeling zich bij terugkeer opnieuw politiek zal uiten. De rechtbank verwijst in dit kader naar rechtsoverweging 10 van de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024.xi Daarin is, naar aanleiding van het genoemde Hofarrest in rechtsoverweging 13, bevestigd dat de sterkte van de politieke overtuiging relevant is voor de beoordeling van de vrees voor vervolging. Dat is overeenkomstig punten 48 en 49 van het Hofarrest. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat in dit geval geen sprake is van een zodanige sterke politieke overtuiging dat eisers daardoor bij terugkeer een risico op vervolging lopen. Hun verklaringen zijn oppervlakkig, hun activiteiten in Peru marginaal, in Nederland zijn zij niet meer politiek actief en eiser heeft twijfels geuit over het opnieuw uiten van zijn mening bij terugkeer. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers geen gegronde vrees voor vervolging hebben vanwege hun politieke overtuiging.

Conclusie en gevolgen

16. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2025.
griffier rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
i Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
ii Respectievelijk ECLI:EU:C:2018:803 en ECLI:EU:C:2021:478.
iv Zie pagina 4 en 5 van het voornemen van eiser en pagina 3 van het voornemen van eiseres 1, waarin er verwezen wordt naar het voornemen van eiser.
v Zie pagina 19 van het nader gehoor van eiser.
vi Idem, pagina 10.
vii Idem, pagina 21.
viii ECLI:EU:C:2023:688.
ix Zie pagina 16 en 17 van het nader gehoor van eiser.
x European Union Agency for Asylum (EUAA), COI Report – Peru: Country Focus, October 2023.