Eiser, een Libische vreemdeling, is sinds 20 september 2025 in vreemdelingenbewaring geplaatst en heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld. De rechtbank heeft eerder op 14 oktober 2025 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was en toetst nu alleen de periode vanaf 8 oktober 2025.
De rechtbank stelt vast dat er voldoende zicht is op uitzetting naar Libië en Tunesië, mede omdat de overheid voortvarend handelt door periodieke rappels en vertrekgesprekken. Het ontbreken van reactie van de autoriteiten op laissez-passer aanvragen en het feit dat eiser zelf geen inspanningen levert om een laissez-passer te verkrijgen, leiden niet tot een ander oordeel.
Het verweer dat een lichter middel kan worden toegepast wordt verworpen, omdat eerder is vastgesteld dat een lichter middel niet doeltreffend is om onderduiken te voorkomen. Ook het beroep op het non-refoulement-beginsel faalt, aangezien geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die een andere conclusie rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.