ECLI:NL:RBDHA:2025:21970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
NL25.30465
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 31, vijfde lid, richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag en oplegging dwangsom

Eiser heeft op 22 maart 2024 een asielaanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie. Na het verstrijken van de beslistermijn stuurde eiser op 23 juni 2025 een ingebrekestelling aan verweerder, die daarop niet alsnog een besluit nam. Eiser stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet besluiten, of binnen acht weken indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.

Daarnaast krijgt eiser een vergoeding van € 453,50 voor proceskosten, gebaseerd op de bijstand door zijn gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier J. Dommerholt en is openbaar bekendgemaakt op 12 november 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen een gestelde termijn alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom en toekenning van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30465
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. van der Toorn),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Eiser heeft de asielaanvraag ingediend op 22 maart 2024. Na het verstrijken van de beslistermijn heeft verweerder op 23 juni 2025 een ingebrekestelling ontvangen. Verweerder heeft vervolgens niet alsnog een besluit genomen. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom gegrond.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, moet hij dit alsnog doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder overeenkomstig de uitspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, een andere termijn te geven.
5. Voor zover de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bepaald in artikel 31, vijfde lid, van de richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn), is verstreken of op korte termijn gaat verstrijken, overweegt de rechtbank dat de besluitvorming op de asielaanvraag te allen tijde op een zorgvuldige manier dient te gebeuren en dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak reeds heeft bepaald binnen welke termijn een zorgvuldig besluit genomen kan worden.
6. Omdat niet is gebleken dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, zal de rechtbank in lijn met deze uitspraak van de Afdeling bepalen dat verweerder binnen zestien weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Indien eiser inmiddels wel is gehoord over zijn asielmotieven, dient verweerder binnen acht weken op zijn asielaanvraag te beslissen.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.