ECLI:NL:RBDHA:2025:2194

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
18 februari 2025
Zaaknummer
NL25.5815
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVerordening (EU) Nr. 604/2013Art. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende vreemdeling, is op 6 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt dat hij onder de Dublinverordening valt.

Eiser betwist het bestaan van een zwaar onttrekkingsrisico en voert aan dat zijn personalia in andere lidstaten verkeerd zijn genoteerd. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware en lichte gronden niet heeft betwist en acht deze gronden voldoende gemotiveerd en feitelijk juist.

Verweerder heeft gemotiveerd waarom een lichter middel dan bewaring niet volstaat, mede omdat eiser eerder op 28 maart 2024 met onbekende bestemming vertrok, waardoor een geplande overdracht aan Bulgarije op 10 april 2024 niet kon plaatsvinden. De rechtbank oordeelt dat het onttrekkingsrisico significant is en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.

De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Tevens merkt de rechtbank op dat het niet aan haar is om te oordelen over de omstandigheden in Bulgarije na overdracht. Eerder werd het beroep tegen het asiel- en overdrachtsbesluit aan Bulgarije ongegrond verklaard, waarna hoger beroep werd ingetrokken.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5815

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht overwogen dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat eiser onder de Dublinverordening [1] valt. Om die reden heeft verweerder terecht artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan de maatregel ten grondslag gelegd.
3. Volgens verweerder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [3] staat vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 Vw heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan
4. Eiser betwist zware grond 3e. Hij stelt dat zijn personalia in andere lidstaten verkeerd zijn genoteerd.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware gronden en de lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen. De zware grond 3e behoeft dan ook niet te worden besproken.
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel dan bewaring heeft toegepast. De bewaring valt hem zwaar. Hij zou graag in vrijheid willen meewerken aan zijn overdracht naar Bulgarije.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met de toepassing van een lichter middel. Verweerder heeft eerder geprobeerd om eiser op 10 april 2024 over te dragen aan Bulgarije. Eiser is op 28 maart 2024 met onbekende bestemming vertrokken, waardoor de geplande vlucht door verweerder is geannuleerd. Uit de gronden van de maatregel volgt dat er sprake is van een significant onttrekkingsrisico. Eiser heeft daarnaast geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de inbewaringstelling onevenredig bezwarend voor hem is.
8. Voor zover eiser stelt dat de asielvoorzieningen in Bulgarije ondermaats zijn en hij vreest om daar te worden gedetineerd, wordt opgemerkt dat het niet aan de bewaringsrechter is om een oordeel te geven over eisers situatie na overdracht. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 20 maart 2024 eisers beroep tegen het besluit op zijn asielaanvraag, alsmede het overdrachtsbesluit aan Bulgarije, ongegrond verklaard. [4] Eiser heeft zijn hoger beroep hiertegen ingetrokken.
9. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2024:4138.