Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 oktober 2024, met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 6;
- het tussenvonnis van 15 januari 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 20 maart 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie, zonder producties;
- de akte wijziging van eis tevens houdende overlegging nadere producties, met producties 12 en 13;
- de tijdens de mondelinge behandeling op 20 maart 2025 voorgedragen en ingediende spreekaantekeningen;
- het rolbericht van 4 juni 2025 waarin partijen hebben verzocht een tweede mondelinge behandeling te houden;
- het tussenvonnis van 4 juni 2025, waarin een tweede mondelinge behandeling is bepaald op 1 september 2025.
2.De feiten
3.Het geschil
een zonder rechterlijke tussenkomst direct opeisbare dwangsom van een duizend euro per dag”dat
“bij niet nakoming van deze bepalingen” verschuldigd is, nietig is, althans deze bepaling vernietigt, althans oordeelt dat daarop geen beroep kan worden gedaan;
4.De beoordeling
kettingbedingzijn overeen gekomen.
- in stand dient te houden als duin- en/of natuurgrond met dien verstande dat zich aldaar uitsluitend beplanting zal mogen bevinden die daar van nature voorkomt casu quo voor kan komen, en koper de huidige toestand in stand dient te houden (te dulden) en zich ervan dient te onthouden om andere dan natuurlijke beplanting in stand te houden of aan te brengen;
- niet zal bestraten en/of verharden anders dan met een voetpad dat zal dienen ter verbinding van de achterzijde van het woonhuis aan de [straatnaam 1] (…) te [plaats] met de [straatnaam 2] te [plaats] , en betreffend voetpad niet anders zal gebruiken dan voor toegang te voet van en naar de achterzijde van de door hem bewoonde woning aan de [straatnaam 1] (…) te [plaats] ;
- behoudens het realiseren van een passende trap ter ontsluiting van het gekochte vanaf de achterzijde van de woning aan de [straatnaam 1] (…) te [plaats] , niet zal (doen) bebouwen op wat voor wijze dan ook bouwwerken in of onder de grond daaronder begrepen waarbij onder bouwwerken mede is te verstaan het aanbrengen van een zwembad of het aanbrengen van een tennisbaan of andere bewerking waardoor de huidige natuurlijke staat van het verkochte, ho[e] minimaal ook, wordt aangetast/gewijzigd;
- (…);
“duin/natuurgrond”. In de ruim geformuleerde tekst van het kettingbeding wordt er nogmaals op gewezen dat [partij B] [perceel 5] in stand dient te houden als
“duin- en/of natuurgrond”en dat zich daarop
“uitsluitend beplanting zal mogen bevinden die daar van nature voorkomt casu quo voor kan komen”en dat [partij B]
“de huidige toestand in stand dient te houden (te dulden) en zich ervan dient te onthouden om andere dan natuurlijke beplanting in stand te houden of aan te brengen”. Het beding is dus – anders dan [partij B] stelt – niet beperkt tot de grond, maar bepaalt ook wat zich op die grond mag bevinden. [perceel 5] mag niet worden bestraat, behoudens het toegestane voetpad en ook niet worden bebouwd, behoudens het realiseren van een passende trap ter ontsluiting van het gekochte vanaf de achterzijde van de woning. Daarmee hebben partijen voldoende duidelijk vastgelegd dat er helemaal niets op [perceel 5] mag worden geplaatst.
bebouwen” en “
bouwwerken” onder het derde gedachtestreepje van het kettingbeding moet worden verstaan niet relevant. Duin-/natuurgrond kan enkel in de ten tijde van de overdracht bestaande stand met uitsluitend van nature voorkomende beplating worden gelaten wanneer op [perceel 5] geen objecten worden geplaatst. Daarbij kan in het midden blijven of die objecten kunnen worden gekwalificeerd als bouwwerken. [partij B] hecht teveel waarde aan de uitleg van voornoemde termen onder het derde gedachtestreepje van het kettingbeding. De aldaar genoemde tekst bevat een duidelijke (eenmalige) uitzondering voor een bouwwerk, te weten een trap, met een duidelijke vermelding dat overige bouwwerken niet zijn toegestaan. De kern van de verplichting van [partij B] staat echter onder het eerste gedachtestreepje van het kettingbeding. Een redelijke uitleg van die tekst verzet zich ertegen om vervolgens op basis de tekst van het derde gedachtestreepje te concluderen dat de aanwezigheid van objecten die volgens [partij B] niet onder de aldaar gegeven definitie “bouwwerken” of “bebouwen” kunnen worden geschaard, toelaatbaar zijn. Dat staat haaks op het uitgangspunt: instandhouding als duin-/natuurgrond, terwijl in de genoemde tekst staat dat de natuurlijke staat van [perceel 5]
“hoe minimaal ook”, niet mag worden gewijzigd of aangetast.