ECLI:NL:RBDHA:2025:21479

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/09/684878 / HA ZA 25-401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burenrechtelijke geschil over eigendom van grondstroken en verjaring

In deze zaak, die zich afspeelt tussen buren, is er een geschil over de eigendom van twee stroken grond die kadastraal aan gedaagde toebehoren. Eisers, die buren zijn van gedaagde, stellen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van deze stroken grond. De rechtbank heeft op 12 november 2025 geoordeeld dat er geen sprake is van verjaring en dat eisers de stroken grond moeten ontruimen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eisers onvoldoende bewijs hebben geleverd dat zij gedurende de vereiste periode van tien of twintig jaar in bezit zijn geweest van de grondstroken. De rechtbank heeft de vorderingen van eisers in conventie afgewezen en de vorderingen van gedaagde in reconventie toegewezen, waarbij gedaagde werd erkend als eigenaar van de grondstroken. De rechtbank heeft ook de proceskosten aan eisers opgelegd, aangezien zij in het ongelijk zijn gesteld. De zaak benadrukt de vereisten voor verkrijgende verjaring en de noodzaak van ondubbelzinnig bezit.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/684878 / HA ZA 25-401
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van

1.[partij A sub 1] te [woonplaats] ,

hierna: [partij A sub 1]
2.
[partij A sub 2]te [woonplaats] ,
hierna: [partij A sub 2] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] c.s.,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
tegen
[partij B]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. S.A. van Leeuwen.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Partijen zijn buren. Zij verschillen van mening over de vraag of twee stroken grond, die kadastraal aan [partij B] toebehoren, door verjaring eigendom zijn geworden van [partij A] c.s. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van verjaring. [partij A] c.s. moeten deze stroken daarom ontruimen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 april 2025, met producties 1 tot en met 15;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie van 24 juni 2025, met producties 1 tot en met 18;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 16;
- de akte overlegging producties van de zijde van [partij B] , met producties 19 en 20;
- de akte wijziging/aanvulling eis van de zijde van [partij A] c.s., met productie 17;
- de brief van [partij A] c.s. van 22 september 2025, met producties 18 en 19;
- de brief van [partij A] c.s. van 23 september 2025, met productie 20;
- de tijdens de zitting door [partij B] overgelegde productie 21;
- de na de zitting door [partij A] c.s. overgelegde productie 21.
2.2.
Op 6 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de zitting hebben [partij A] c.s. de vorderingen in conventie ingetrokken die betrekking hadden op de eigendom van de geasfalteerde grond buiten het hekwerk dat toegang geeft tot het perceel van [partij A] c.s. (zoals hierna beschreven) en op het aanwijzen van een noodweg. Verder heeft [partij B] tijdens de zitting met instemming van [partij A] c.s. een foto overgelegd, die is aangemerkt als productie 21. Tot slot is tijdens de zitting afgesproken dat [partij A] c.s. na afloop van de zitting vier foto’s zouden insturen, die zij tijdens de zitting hebben laten zien. Deze hebben zij vervolgens als productie 21 overgelegd.

3.De feiten

3.1.
[partij A] c.s. zijn eigenaar van percelen met woning, schuur en erf aan de [adres 1] te [plaats] , die zij van de moeder van [partij A sub 1] hebben gekocht. [partij A sub 1] is in de woning [adres 1] geboren en heeft daar zijn hele leven gewoond, behalve in de periode van 1997 tot 2010. [partij B] is sinds 9 februari 2015 eigenaar van percelen aan de [adres 2] met daarop een woning, kas, tuin en erf. Het perceel van [partij A] c.s. ligt ten zuiden van het perceel van [partij B] .
3.2.
De percelen [adres 1] en [adres 2] (die elk bestaan uit meerdere kadastrale percelen) grenzen aan elkaar. In de zuidoosthoek van het perceel van [partij B] , aan de kant van het perceel van [partij A] c.s., staat een kas. De kas staat niet helemaal tegen de kadastrale erfgrens, tussen de kas en het kadastrale perceel van [partij A] c.s. bevindt zich een strook grond die tot het kadastrale perceel van [partij B] behoort. Vanaf voorste hoek van de kas loopt de erfgrens richting de openbare weg (de Overzeelaan). De percelen [adres 1] en [adres 2] werden gedeeltelijk gescheiden door een heg die min of meer de erfgrens volgde. De heg eindigde bij een poort die het perceel van [partij A] c.s. afsluit. Het perceel van [partij B] was niet afgesloten met een hek of heg. De grond tussen de openbare weg en de plek waar de heg begint is, zowel aan de kant van [partij A] c.s. als aan de kant van [partij B] , geasfalteerd.
3.3.
Bovenstaande afbeelding, afkomstig van kadastralekaart.com, geeft de situatie weer. De gele, rode en blauwe lijn geven (ongeveer) de kadastrale grens aan tussen de percelen. De groene lijn geeft aan waar het hek van [partij A] c.s. staat. De grond ten noordoosten daarvan (met de blauwe lijn) betreft het hiervoor bedoelde geasfalteerde deel tussen de percelen en de openbare weg. Ten noorden van de gele lijn staat de kas. De rode lijn geeft een indicatie van de loop van de heg tot aan het toegangshek van [partij A] c.s.
3.4.
In 2021 hebben [partij A] c.s. de heg vervangen door een hek en een carport gebouwd in de noordwesthoek van het perceel [adres 1] , vrijwel tegen de kas aan (dus over de perceelsgrens). [partij B] heeft hiertegen in een bestuursrechtelijke procedure bezwaar gemaakt. Inmiddels hebben [partij A] c.s. de carport afgebroken en het hek aangepast.
3.5.
Op 7 januari 2024 heeft [partij B] opdracht gegeven aan het Kadaster tot het uitvoeren van een grensreconstructie. De inmeting door het Kadaster heeft op 10 januari 2024 plaatsgevonden, waarna het Kadaster op 26 januari 2024 de kadastrale erfgrenzen ter plaatse heeft uitgezet. Naar aanleiding van een klacht van [partij A] c.s. heeft het Kadaster de grensreconstructie gecontroleerd en is het tot de conclusie gekomen dat de grensreconstructie correct is uitgevoerd. Uit de grensreconstructie blijkt dat het hek niet (volledig) op de erfgrens staat, maar op het kadastrale perceel van [partij B] waardoor een strook van zijn kadastrale perceel bij de tuin van [partij A] c.s. is getrokken.
3.6.
[partij B] heeft op de hiervoor bedoelde geasfalteerde grond grenzend aan de openbare weg (ongeveer ten hoogte van de blauwe lijn) een provisorisch hekwerk geplaatst. Dit is te zien op de volgende foto (met daarop ook links het toegangshek en rechts achterin de kas):

4.Het geschil

In conventie
4.1.
[partij A] c.s. vorderen in conventie - samengevat en na eiswijziging - dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat [partij A] c.s. door verjaring eigenaar zijn van:
A. de strook grond tussen de kadastrale grens (hiervoor onder 3.2 weergegeven met de gele lijn) en de kas (hierna: Grondstrook A);
B. de strook grond tussen de kadastrale grens en het hek (zie hiervoor onder 3.5, hierna: Grondstrook B);
II. [partij B] beveelt medewerking te verlenen aan registratie van het eigendomsrecht in het Kadaster binnen 30 dagen na het wijzen van het vonnis, op straffe van een dwangsom;
III. [partij B] beveelt het provisorische hekwerk een meter terug te plaatsen of te verwijderen, op straffe van een dwangsom;
een en ander onder veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
4.2.
[partij A] c.s. leggen aan de vorderingen in conventie onder I en II ten grondslag dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van Grondstroken A en B. Wat betreft Grondstrook A stellen [partij A] c.s. dat zij en de ouders van [partij A sub 1] deze onderhielden als ware het hun tuin. [partij B] en zijn rechtsvoorgangers kwamen volgens [partij A] c.s. niet op Grondstrook A, nu deze door een heg ontoegankelijk was. Wat betreft Grondstrook B stellen [partij A] c.s. dat zij en hun rechtsvoorgangers de heg daarop onderhielden. De rechtsvoorgangers van [partij A] c.s. zijn na verloop van tien jaar en in ieder geval na verloop van 20 jaar eigenaar geworden van Grondstroken A en B, zo stellen zij.
4.3.
Aan de vordering in conventie onder III leggen [partij A] c.s. ten grondslag dat [partij B] misbruik maakt van zijn eigendomsrecht en in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid die buren ten opzichte van elkaar in acht hebben te nemen door op de perceelsgrens tot aan de Overzeelaan een hekwerk neer te zetten. Voor [partij A] c.s. is het als gevolg van dit hekwerk met de auto en camper heel lastig manoeuvreren.
4.4.
[partij B] voert verweer.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
4.6.
[partij B] vordert in reconventie - samengevat - dat de rechtbank:
Primair
I. voor recht verklaart dat Grondstroken A en B het eigendom zijn van [partij B] ;
II. [partij A] c.s. veroordeelt om Grondstroken A en B te ontruimen en ter beschikking van [partij B] te stellen, op straffe van een dwangsom met een maximum van € 25.000,00;
Subsidiair
III. voor recht verklaart dat [partij A] c.s. jegens [partij B] onrechtmatig hebben gehandeld door Grondstroken A en B te kwader trouw in bezit te hebben genomen en/of in bezit hebben gehouden;
IV. [partij A] c.s. veroordeelt om medewerking te verlenen aan het ondertekenen van een notariële akte van levering en de eigendomsoverdracht met betrekking tot Grondstroken A en B, waarbij de kosten van de eigendomsoverdracht voor rekening van [partij A] c.s. komen, op straffe van een dwangsom;
Primair en subsidiair
V. [partij A] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.380,00 aan [partij B] ter vergoeding van de kosten van de grensreconstructie, te vermeerderen met rente;
VI. [partij A] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente.
4.7.
[partij B] legt aan de primaire vorderingen ten grondslag dat [partij A] c.s. en hun rechtsvoorgangers geen handelingen hebben verricht die de eigendom van [partij B] ten aanzien van Grondstroken A en B hebben aangetast.
4.8.
Aan de subsidiaire vorderingen legt [partij B] ten grondslag dat [partij A] c.s. onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. [partij A] c.s. wisten waar de kadastrale erfgrens zich bevond. In 1996 heeft namelijk ter plaatse een grondruil plaatsgevonden tussen de vader en oom van [partij A sub 1] en de vader en de oom hebben de erfgrenzen aangewezen. Omdat [partij A sub 1] toen nog bij zijn ouders woonde, kan deze wetenschap aan [partij A] c.s. worden toegerekend, aldus [partij B] .
4.9.
Aan de vordering tot vergoeding van de kosten van de grensreconstructie legt [partij B] ten grondslag dat deze kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b Burgerlijk Wetboek (BW) worden aangemerkt als kosten die hij in redelijkheid heeft gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [partij A] c.s. Toen de in opdracht van [partij B] verrichte grensreconstructie plaatsvond, was de ligging van de kadastrale grens niet (meer) zichtbaar gemarkeerd en deze reconstructie heeft de posities van de door [partij A] c.s. geplaatste carport en het hek ten opzichte van de erfgrens zichtbaar gemaakt, hetgeen heeft uitgewezen dat [partij A] c.s. inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [partij B] .
4.10.
[partij A] c.s. voeren verweer.
4.11.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie en in reconventie
Verjaring
5.1.
Van verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 BW is sprake als een bezitter te goeder trouw een goed gedurende een onafgebroken periode van tien jaar bezit. Een bezitter die niet te goeder trouw is, kan door bevrijdende verjaring eigenaar worden van een goed, zo volgt uit artikel 3:105 lid 1 BW. Hij verkrijgt het goed als hij het bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn bedraagt twintig jaar (artikel 3:306 BW).
5.2.
De verjaringstermijnen van de artikelen 3:99 BW en 3:105 BW beginnen te lopen als sprake is van bezit (artikel 3:101 BW). Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf. Hieronder moet worden verstaan het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de bedoeling rechthebbende te zijn. Het houden voor zichzelf sluit uit dat een ander als rechthebbende wordt erkend.
5.3.
Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld (artikel 3:107 BW). Inbezitneming vindt plaats doordat iemand zich feitelijke macht over het goed verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). Uit vaste jurisprudentie volgt dat de machtsuitoefening zodanig moet zijn dat daardoor naar verkeersopvatting het bezit van de ander teniet wordt gedaan. Bezit moet voor derden voldoende kenbaar zijn, wat onder meer betekent dat de rechthebbende uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen objectief gezien moet kunnen opmaken dat zijn eigendomsrecht wordt bedreigd. Er is namelijk anders geen reden voor de rechthebbende om actie te ondernemen. Uit de handelingen moet een ondubbelzinnige intentie naar buiten blijken om de zaak voor zichzelf te houden. Het laten aanvangen van bezit vereist een daad van inbezitneming van degene die zich op verjaring beroept. Daarnaast is uitsluitend geen gebruik meer maken van het betwiste perceel(sgedeelte) voor bezitsverlies onvoldoende. Voor bezitsverlies is immers kennelijk prijsgeven vereist (artikel 3:117 lid 1 BW). Voor bezit van (een gedeelte van) een onroerende zaak, die kadastraal als eigendom van een ander te boek staat, is meer nodig dan het plegen van enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen. [1]
5.4.
Niet in geschil is dat Grondstroken A en B kadastraal aan [partij B] toebehoren. [partij B] weerspreekt dat deze door [partij A] c.s. of hun rechtsvoorgangers in bezit zijn genomen.
5.5.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op [partij A] c.s., die zich op verjaring beroepen, de stelplicht en zo nodig de bewijslast van het feit dat zij of hun rechtsvoorgangers bezitter van Grondstroken A en B zijn geworden en dit gedurende de verjaringstermijn zo is gebleven.
5.6.
Ten aanzien van Grondstrook A komt de stelling van [partij A] c.s. er kort gezegd op neer dat deze strook gedurende langere tijd bij de tuin van [partij A] c.s. is getrokken en hier een (beplante) tuin werd onderhouden. Bovendien was de strook volgens [partij A] c.s. voor [partij B] en zijn rechtsvoorgangers onbereikbaar doordat de heg helemaal doorliep tot aan de kas en aldus de doorgang verhinderde. [partij A] c.s. hebben ter onderbouwing van hun stelling enkele foto’s en verklaringen overgelegd.
5.7.
Op basis van de foto’s en verklaringen kan de rechtbank niet vaststellen dat gedurende tien of twintig jaar sprake is geweest van een onderhouden tuin op het kadastrale perceel van [partij B] . De data van de foto’s ontbreken en ook de omvang van de tuin is op basis van de foto’s niet geheel duidelijk. De verklaringen zijn, zo heeft [partij A sub 1] tijdens de zitting toegelicht, na gesprekken met de betrokkenen door [partij A sub 1] opgesteld en door de betrokkenen ondertekend. De rechtbank hecht hieraan minder waarde dan aan verklaringen die spontaan zijn opgesteld. Belangrijker is echter dat deze verklaringen ook geen duidelijkheid bieden over de omvang van de tuin. Daar komt bij dat op de door [partij B] overgelegde satellietfoto uit 2020 (productie 13) in het geheel geen tuin voor de kas te zien is. Eveneens als productie 13 is een foto overgelegd waarvan de datering niet bekend is, maar waarop de heg nog zichtbaar is, waarop te zien is dat Grondstrook A grotendeels braak ligt.
5.8.
Uit het inrichten en onderhouden van een strook grond als tuin kan bovendien op zichzelf geen ondubbelzinnig bezit worden afgeleid. Van aanvullende aanwijzingen is geen sprake, nu niet als vaststaand kan worden beschouwd dat Grondstrook A voor (de rechtsvoorgangers van) [partij B] ontoegankelijk was. [partij B] heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval was. Zo heeft hij verklaringen overgelegd van kassenbouwer [naam 1] , van eigenaar van sproeibedrijf [naam 2] en van [naam 3] overgelegd die het standpunt ondersteunen dat de strook grond wél toegankelijk was vanaf het perceel van (de rechtsvoorgangers van) [partij B] . [partij A] c.s. hebben gelet daarop onvoldoende onderbouwd dat Grondstrook A ontoegankelijk was. Van inbezitneming van Grondstrook A is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden geen sprake geweest. In elk geval hebben [partij A] c.s. onvoldoende onderbouwd dat zij en hun rechtsvoorgangers de strook gedurende 10 jaar of meer in hun bezit hebben gehad.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat ook niet is voldaan aan het vereiste van inbezitneming van Grondstrook B. Uit de overgelegde foto’s en satellietbeelden leidt de rechtbank af dat de heg behoorlijk breed was en dat deze, aan de kant van het perceel van [partij A] c.s., vrijwel tot aan de bestrating liep. Ter zitting heeft [partij A] c.s. erkend dat die brede heg tot gevolg had dat de kadastrale grens onder de heg liep. Grondstrook B, die tussen de kadastrale grens en het hek ligt, lag in die tijd dus geheel onder de (brede) heg. Niet in geschil is dat de heg fungeerde als erfafscheiding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] c.s. die grond daarmee niet in bezit genomen. Voor [partij B] of zijn rechtsvoorgangers was niet voldoende kenbaar dat hun eigendomsrecht werd bedreigd.
Tussenconclusie
5.10.
Het voorgaande betekent dat [partij A] c.s. niet door verjaring eigenaar zijn geworden van Grondstroken A en B. De rechtbank zal de vorderingen in conventie onder I en II afwijzen. De rechtbank zal de primaire vorderingen in reconventie onder I en II toewijzen; de onder II gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd zoals uitgewerkt in het dictum. Aan de subsidiaire vorderingen in reconventie komt de rechtbank niet toe.
In conventie
Provisorische erfafscheiding
5.11.
In beginsel mag [partij B] zijn eigendomsrecht uitoefenen door een hekwerk op eigen grond te plaatsen. Dat is anders, als hij door het plaatsen van een hek misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Op grond van artikel 3:13 lid 2 BW is er onder meer sprake van misbruik van bevoegdheid indien een bevoegdheid wordt uitgeoefend (i) met geen ander doel dan een ander te schaden of (ii) met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of (iii) in geval men, in aanmerking nemend de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
5.12.
Niet gebleken is dat [partij B] de erfafscheiding heeft geplaatst met geen ander doel dan om [partij A] c.s. te schaden. [partij B] heeft tijdens de zitting gezegd dat hij het hekwerk heeft geplaatst, op advies van de politie, omdat er honden (van andere buren) op zijn terrein liepen en buren daar parkeerden. [partij A] c.s. hebben niet onderbouwd dat [partij B] het hekwerk alleen heeft geplaatst om hen te schaden.
5.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake van de situatie dat [partij B] zijn eigendomsrecht gebruikt met een ander doel dan waarvoor het is verleend. Aangezien eigendom een alomvattend recht is en niet aan een bepaald doel is gebonden, kan de grond voor misbruik van recht niet bestaan in het gebruik van het eigendomsrecht voor een ander doel dan waarvoor het is verleend.
5.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] in redelijkheid kunnen komen tot plaatsing van een hekwerk op zijn perceel. Weliswaar hebben [partij A] c.s. door het hekwerk minder ruimte om van en naar de [straatnaam] te rijden, maar zij hebben niet gesteld dat dit onmogelijk is. Daartegenover staan de belangen van [partij B] om geen honden of auto’s van anderen op zijn terrein te hebben. Van een onevenredigheid tussen deze belangen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Tussenconclusie
5.15.
Het beroep op misbruik van bevoegdheid gaat niet op. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid is [partij B] , reeds vanwege het voorgaande, niet gehouden het hekwerk te verplaatsen of te verwijderen. De vordering in conventie onder III zal worden afgewezen.
In reconventie
Kosten grensreconstructie
5.16.
Nu [partij A] c.s. inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van [partij B] , hebben zij jegens hem onrechtmatig gehandeld. Zij zijn gehouden de daardoor ontstane schade te vergoeden. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking de redelijke kosten die [partij B] heeft moeten maken voor vaststelling van de aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW). De kosten voor grensbepaling door het Kadaster zijn naar het oordeel van de rechtbank redelijk in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW. De wettelijke rente over de kosten van de grensreconstructie wordt toegewezen zoals gevorderd. De rechtbank zal de vordering in reconventie onder V dus toewijzen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.17.
[partij A] c.s. zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] in conventie worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.698,00
5.18.
[partij A] c.s. zijn ook in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(2 punten × factor 0,5 × € 614,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
753,00
5.19.
De door [partij B] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [partij A] c.s. in de proceskosten van € 1.698,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij A] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
In reconventie
6.3.
verklaart voor recht dat Grondstroken A en B het eigendom zijn van [partij B] ;
6.4.
veroordeelt [partij A] c.s. om binnen vier weken na betekening van dit vonnis Grondstroken A en B - dus de betreffende delen van de kadastrale percelen van [partij B] - te ontruimen en ter beschikking van [partij B] te stellen en veroordeelt [partij A] c.s. om aan [partij B] een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [partij A] c.s. niet aan de veroordeling voldoen, met een maximum van € 5.000,00;
6.5.
veroordeelt [partij A] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 1.380,00 aan [partij B] , ter vergoeding van de kosten van de grensreconstructie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;
6.6.
veroordeelt [partij A] c.s. in de proceskosten van € 753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [partij A] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
In conventie en in reconventie
6.7.
veroordeelt [partij A] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.8.
verklaart de beslissingen onder 6.2 en 6.4 tot en met 6.7 uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
type: 3053

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7601 en Hoge Raad 6 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7836.