De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van verschillende vuurwapens, waaronder een omgebouwd gas/alarm pistool, een ingekort geweer en meerdere revolvers. Na onderzoek en behandeling op zittingen op 6 september 2024 en 3 februari 2025, oordeelde de rechtbank dat onvoldoende bewijs aanwezig was voor het bezit van het geweer en de revolvers. De wapens en munitie waren niet aangetroffen en de deskundige kon niet met zekerheid vaststellen dat het ging om vuurwapens van de betreffende categorieën. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van deze feiten.
Voor het bezit van het omgebouwde gas/alarm pistool van het merk Ekol, type Major, concludeerde de rechtbank op basis van een materiedeskundigenrapport en verklaringen van verdachte dat dit wel een vuurwapen was van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie. Ondanks dat de exacte datum van bezit niet met zekerheid kon worden vastgesteld, leidde het bewijs tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van dit wapen gedurende de tenlastegelegde periode.
De rechtbank achtte het onbevoegd bezit van dit vuurwapen een ernstige inbreuk op de rechtsorde en een risico voor de veiligheid van de samenleving. Gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een eerder soortgelijk feit en de overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werden enkele inbeslaggenomen persoonlijke voorwerpen aan verdachte teruggegeven.