ECLI:NL:RBDHA:2025:2115
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk
Eiser, van Russische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing en voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was genomen en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk niet toepasbaar was vanwege tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem.
De rechtbank oordeelde dat het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was genomen. Hoewel het voornemen in algemene bewoordingen was gesteld, was duidelijk dat de minister de aanvraag niet in behandeling zou nemen en overdracht aan Frankrijk zou plaatsvinden. Eiser had de mogelijkheid gehad om hierop te reageren en het besluit ging in op alle relevante punten.
Verder stelde de rechtbank dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, zoals bevestigd in eerdere uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser had onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat er sprake was van een reëel risico op een schending van internationale verplichtingen bij overdracht aan Frankrijk. Ook het AIDA-rapport 2023 bood geen aanleiding om hiervan af te wijken.
De rechtbank wees het beroep af en bevestigde dat de minister niet verplicht was de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een overdracht onevenredig hard maakten. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.