ECLI:NL:RBDHA:2025:21104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
NL25.38820 en NL25.38821
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Marokkaanse eiser afgewezen wegens gebrek aan procesbelang na vertrek met onbekende bestemming

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een Marokkaanse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser had op 2 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze werd op 16 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft de zaak op 2 oktober 2025 behandeld, maar eiser en zijn gemachtigde waren niet verschenen. Eiser stelde dat hij mishandeld was door de autoriteiten in Marokko en dat hij had deelgenomen aan protesten. De rechtbank oordeelt dat de asielmotieven van eiser onvoldoende zwaarwegend zijn om hem als vluchteling te erkennen. Bovendien heeft eiser op 19 augustus 2025 de opvang met onbekende bestemming verlaten, wat leidt tot de conclusie dat hij geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.38820 en NL25.38821
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser /verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 2 augustus 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1998. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij de pogingen om illegaal te vertrekken uit Marokko is mishandeld door de autoriteiten, waarna hij een aantal keer heeft vastgezeten. Eiser heeft ook verklaard dat hij vier keer heeft deelgenomen aan de prostesten van Hirak en dat hij zich heeft afgewend van de Islam vanaf zijn twaalfde.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1) identiteit, nationaliteit en herkomst, en 2) deelnames aan Hirak Rif-demonstraties.
3.1.
Verweerder acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt eisers gestelde identiteit niet geloofwaardig. De deelnames van eiser aan Hirak Rif-demonstraties vindt verweerder geloofwaardig. Op grond van de geloofwaardige motieven kan eiser volgens verweerder niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Ook zijn deze motieven onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. [2] Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser verklaringen heeft afgelegd die kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn, omdat eiser zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Daarbij heeft verweerder het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod gehandhaafd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een dergelijke melding mag een beroep dus niet-ontvankelijk verklaard worden vanwege gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. [3]
5. Eiser heeft op 19 augustus 2025 de opvang met onbekende bestemming verlaten. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser daarom gevraagd of er nog contact is met eiser. De gemachtigde heeft in reactie enkel aangegeven dat hij geen toestemming heeft van eiser om de procedure in te trekken. De rechtbank maakt daaruit niet op dat er nog contact is met eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.