In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een beroep dat eiser heeft ingediend tegen de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat de minister niet tijdig had beslist op zijn asielaanvraag, ingediend op 1 oktober 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister, na het verstrijken van deze termijn, op 13 oktober 2025 alsnog een besluit heeft genomen. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank oordeelt dat er geen aanleiding is om de minister te verplichten opnieuw een besluit te nemen, aangezien de minister inmiddels heeft beslist. Eiser heeft geen gronden ingediend die betrekking hebben op het alsnog genomen besluit, waardoor dit beroep ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister geen bestuurlijke dwangsom hoeft te betalen, omdat hij heeft voldaan aan het verzoek van eiser door alsnog te beslissen.
De rechtbank heeft de proceskosten die eiser heeft gemaakt vastgesteld op € 453,50, welke kosten de minister dient te vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en eiser is geïnformeerd over de mogelijkheid om in verzet te gaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending.