Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21026

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.26718
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.6b Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken duurzame en exclusieve relatie in nareisprocedure

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn partner, de referent, houder van een asielvergunning. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een duurzame en exclusieve relatie die gelijkgesteld kan worden aan een huwelijk.

De rechtbank oordeelt dat eiser en referent onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een duurzame en exclusieve relatie onderhouden. Hoewel eiser aanvoert dat de relatie beperkt is door sociale en juridische beperkingen in Pakistan, is het feitelijk contact tussen 2018 en 2022 vrijwel afwezig geweest en zijn er onvoldoende inspanningen verricht om het contact te herstellen. De enkele ontmoetingen en uitingen van interesse zijn onvoldoende om een duurzame relatie aan te tonen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder geen onhaalbare eisen heeft gesteld en dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van een duurzame en exclusieve relatie, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26718

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [naam] (referent) en de gemachtigde van eiser. Verweerder is met voorgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij stelt de partner te zijn van referent, die in het bezit is van een asielvergunning. Referent heeft namens eiser een aanvraag ingediend voor een mvv om, in het kader van nareis, bij referent te kunnen verblijven.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser de feitelijke gezinsband niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens verweerder is er geen sprake van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referent.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft in het bestreden besluit geen rekening gehouden met de feitelijke en juridische onmogelijkheid om in Pakistan openlijk een duurzame partnerrelatie te onderhouden met iemand van hetzelfde geslacht of een transgenderpersoon. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen sprake was van een duurzame relatie op het peilmoment, enkel omdat het contact in de tussenliggende jaren tijdelijk was verbroken. Het contact werd verbroken nadat referent Pakistan had verlaten en mede doordat referent zijn Facebookaccount had verwijderd om veiligheidsredenen. Referent heeft er alles aan gedaan om het contact te herstellen maar hij wist de exacte spelling van eisers gebruikersnaam niet. Ook is het in Pakistan gangbaar dat personen in de LHBTI+ gemeenschap op sociale media een schuilnaam gebruiken. Nadat het contact werd hersteld, is het onderhouden gebleven. Daarnaast is de afwijzing in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. [1] De bewijsmaatstaf die een gezamenlijk huishouden of onafgebroken contact vereist, leidt tot indirecte discriminatie van transgenderpersonen en personen in een relatie met iemand van hetzelfde geslacht. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van het Europese Hof [2] . Tot slot dient verweerders erkenning dat paren van gelijk geslacht in Pakistan geen wettelijke familierechtelijke status kunnen verkrijgen ertoe te leiden dat aan die paren geen onhaalbare eisen mogen worden gesteld bij het aantonen van hun relatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Duurzame en exclusieve relatie
5. Niet in geschil is dat eiser en referent niet zijn gehuwd. De vraag die vervolgens voorligt is of eiser en referent op het peilmoment (het moment van binnenkomst in Nederland van referent) een voldoende duurzame en exclusieve relatie hadden die op één lijn te stellen is met een huwelijk.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een exclusieve en duurzame relatie hebben. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder enkel op basis van de onderbreking van het contact heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van een duurzame relatie. Verweerder heeft in het bestreden besluit in dat kader namelijk ook betrokken dat eiser en referent hebben verklaard elkaar te hebben ontmoet, vier tot vijf keer te hebben afgesproken en zich aangetrokken te voelen tot elkaar. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat dit meer duidt op een mogelijke intentie tot het vormen van een relatie dan op het al bestaan daarvan.
5.2.
Daarnaast blijkt uit verklaringen [3] van eiser en referent dat zij tussen 2018 (na de vlucht van referent) en 2022 geen contact hadden met elkaar. Niet gebleken is dat er in die periode maximale inspanningen zijn verricht om het contact te herstellen, wat wel verwacht mag worden als het gaat om een relatie die gelijkgesteld kan worden aan een huwelijk. Verweerder heeft hierbij mogen meewegen dat de verklaring van referent dat hij eisers Facebooknaam niet kon herinneren, duidt op het beginstadium van de relatie. Daarnaast heeft verweerder mogen tegenwerpen dat van iemand die stelt een relatie te hebben die gelijk is te stellen aan een huwelijk mag worden verwacht dat deze meer mogelijkheden weet te vinden dan herstel via een Facebooknaam. Bovendien heeft referent ter zitting desgevraagd geen antwoord kunnen geven op de vraag waarom hij in Nederland twee jaar heeft gewacht met contact zoeken met eiser. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het herstel en het nadien onderhouden van het contact de omvang van de relatie niet anders maakt.
5.3.
Verder heeft verweerder mogen meewegen dat – ondanks de in Pakistan geldende beperkingen voor het uitoefenen van gezinsleven voor paren van gelijk geslacht – van een duurzame en exclusieve relatie meer diepgang mag worden verwacht dan enkele ontmoetingen die in Pakistan tussen eiser en referent hebben plaatsgevonden waarbij een interesse in elkaar en het ontwikkelen van een relatie wordt uitgesproken. De stelling van eiser dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser en referent, in het bijzonder de in Pakistan geldende beperkingen voor paren van gelijk geslacht, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft in dit kader eveneens geen onhaalbare eisen gesteld aan eiser en referent om hun relatie te onderbouwen. Hoewel de moeilijke situatie voor homoseksuelen en transgenders in Pakistan wordt erkend, betekent dit niet dat geen onderbouwing van een exclusieve en duurzame relatie mag worden verwacht. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de relatie verder ging dan het kennismaken met elkaar en wederzijdse interesse uitspreken. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van een duurzame en exclusieve relatie die op één lijn te stellen is met een huwelijk.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000. [4] Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het IB 2024/07 [5] op het standpunt kunnen stellen dat in deze zaak niet wordt doorgetoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er een reguliere procedure bestaat voor de aanvraag van eiser. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de aanvraag voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr.
J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
2.Uitspraak van het Europese Hof voor Rechten van de Mens van 30 juni 2016 (Taddeucci & McCall tegen Italië), ECLI:CE:ECHR:2016:0630JUD005136209.
3.Zie pagina 8 van het rapport gehoor nareis - vreemdeling van 13 maart 2024 en pagina 11 van het rapport hoorzitting nareis van 21 maart 2025.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804.
5.Informatiebericht 2024/7 “Ambtshalve doortoetsen aan 8 EVRM bij nareis”.