ECLI:NL:RBDHA:2025:20966

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.33447
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4:84 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 73 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag W2-document wegens ontbreken rechtmatig verblijf

Eisers hebben op 27 januari 2025 aanvragen ingediend voor een Vreemdelingen Identiteitsbewijs type W2, welke door de minister op 12 februari 2025 zijn afgewezen. Het bezwaar van eisers werd op 23 juni 2025 eveneens afgewezen, waarna zij beroep instelden bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank oordeelt dat eisers ten tijde van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf hadden op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat geen schorsende werking van het bezwaar bestond en het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nog openstond zonder voorlopige voorziening. De minister heeft terecht de aanvragen afgewezen op basis van artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, zonder belangenafweging.

Eisers stelden dat de minister de belangen van met name hun kinderen onvoldoende heeft meegewogen en dat het evenredigheidsbeginsel en menselijke maat toepassing behoefden, maar de rechtbank verwierp deze stelling. De rechtbank benadrukt dat eisers de beslissing op hun bezwaren tegen de verblijfsvergunning moeten afwachten en eventueel rechtsmiddelen kunnen inzetten.

Het beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvragen voor het W2-document blijft in stand. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een W2-document wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33447

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen

[echtgenoot], v-nummer: [nummer 1], echtgenoot

[echtgenote], v-nummer: [nummer 2], echtgenote
[dochter 1], v-nummer: [nummer 3], dochter 1
[zoon], v-nummer: [nummer 4], zoon
[dochter 2], v-nummer: [nummer 5], dochter 2
eisers
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor het verlenen van een Vreemdelingen Identiteitsbewijs type W of W2 (W2-document). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat eisers geen recht hebben op een W2-document. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 27 januari 2025 aanvragen ingediend voor het verlenen van een W2-document . De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 12 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er aan de zaak vooraf?
3. Op 21 februari 2019 hebben eisers een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de ‘afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen’. De minister heeft deze aanvraag afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar op 13 oktober 2020 ongegrond verklaard, omdat eisers niet voldoen aan voorwaarde b van de Afsluitingsregeling (paragraaf B9/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft het door eisers ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 oktober 2020 vernietigd, en bepaald dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit neemt op de bezwaren van eisers. [2] De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een W2-document?
4. Eisers betogen dat gelet op het feit dat de minister in hoger beroep niet heeft verzocht om een voorlopige voorziening, hierdoor geen schorsende werking aan de verblijfsrechtelijke procedure is verbonden. Volgens eisers is ‘formeel’ de bezwaarfase opengevallen. Alleen heeft de minister niet met inachtneming van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, na acht weken een beslissing genomen op het bezwaar. De minister heeft ten onrechte de belangen van eisers – met name die van dochter 1, zoon en dochter 2 – niet betrokken in de belangenafweging van het bestreden besluit. Eisers worden namelijk belemmerd in hun bestaan en ontwikkeling door het niet kunnen beschikken over een W2-document. Volgens eisers had het op de weg van de minister gelegen om vanuit de menselijke maat en het evenredigheidsbeginsel eisers een W2-document te verlenen. [3]
5. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat eisers geen recht hebben op een W2-document, omdat eisers ten tijde van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf hadden in Nederland op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.1.
Uit artikel 8, onder h, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift indien het bezwaar op grond van een rechterlijke beslissing of op grond van de wet schorsende werking heeft. Deze situatie was ten tijde van het bestreden besluit niet aan de orde.
Ten eerste omdat geen sprake is van schorsende werking op grond van een rechterlijke beslissing. Ten tijde van het bestreden besluit stond het hoger beroep tegen de uitspraak van 17 december 2024 bij de Afdeling nog open. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft bij uitspraak van 17 december 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Eisers hebben na de uitspraak van 17 december 2024 geen nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Ten tweede omdat geen sprake was van schorsende werking op grond van de wet. Uit de wet volgt dat de wetgever niet heeft bedoeld om rechtmatig verblijf toe te kennen aan alle vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op hun bezwaarschrift. In artikel 73 van Pro de Vw 2000 is immers uitdrukkelijk geregeld in welke gevallen het bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om of intrekking van een reguliere verblijfsvergunning wel en geen schorsende werking heeft. De minister stelt daarbij terecht dat het enkele feit dat de minister in hoger beroep geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, niet maakt dat het opengevallen bezwaar opschortende of schorsende werking heeft.
5.2.
Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eisers ten tijde van het bestreden besluit rechtmatig verblijf hadden op grond van één van de andere subcategorieën van artikel 8 van Pro de Vw 2000.
5.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eisers aanvragen voor het verlenen van een W2-document rechtstreeks aan artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden getoetst en daarmee geen belangenafweging plaatsvindt of getoetst wordt aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5.4.
De rechtbank kan begrijpen dat eisers een groot belang stellen in het kunnen beschikken over W2-documenten. Zij zullen daarvoor echter de nieuw te nemen beslissing op hun bezwaren tegen de afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de Afsluitingsregeling moeten afwachten. Tegen het uitblijven daarvan kunnen zij, zolang de minister geen voorlopige voorziening heeft gevraagd in het kader van het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Middelburg van 13 december 2024, zo nodig een rechtsmiddel instellen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvragen om een W2-document in stand blijft. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W. B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Rb. Den Haag (zp. Middelburg) 17 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21511.
3.Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.