Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:20926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1514
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen op verzoek aanvullende compensatie kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft op 15 december 2023 een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. De CWS bevestigde de ontvangst op 21 januari 2025, maar gaf onterecht aan dat de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag nog niet was genomen, terwijl die definitieve beslissing al op 4 december 2024 was genomen.

Eiseres diende op 23 januari 2025 een brief in die zij als ingebrekestelling aanmerkte en stelde op 27 februari 2025 beroep in wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek. Verweerder stelde dat de CWS geen verzoek had ontvangen en dat er daarom geen sprake was van niet tijdig beslissen. Later erkende verweerder dat het verzoek wel was ontvangen, maar dat de CWS dit niet als formeel verzoek kon behandelen vanwege het ontbreken van een definitieve beschikking op dat moment.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 23 januari 2025 niet als ingebrekestelling kan gelden omdat eiseres daarmee haar verzoek kenbaar maakte. De wettelijke beslistermijn van zes maanden na ontvangst van het verzoek eindigde op 23 juli 2025, zonder dat verweerder deze termijn verlengde of dat eiseres na die datum een ingebrekestelling stuurde.

Omdat niet is voldaan aan de vereiste ingebrekestelling conform artikel 6:12, tweede lid, Awb, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een nadere beslistermijn of dwangsom wordt niet vastgesteld en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om aanvullende compensatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1514

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).

Inleiding

1.1.
Eiseres heeft met het verzoekformulier de Commissie Werkelijke Schade (CWS)
verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft
beslist op voornoemd verzoek.
1.3.
Verweerder heeft op 17 maart 2025, 14 april 2025, 2 juli 2025 en 5 augustus 2025
gereageerd op het beroep.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het
beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiseres heeft het verzoek ingediend op 15 december 2023. De CWS is een
onafhankelijke commissie en heeft tot taak het toetsen van en adviseren over aanvragen tot toekenning van aanvullende schadevergoeding. De CWS brengt een advies uit aan verweerder, die daarna een beslissing neemt.
2.2.
Verweerder heeft op 4 december 2024 de definitieve beslissing beoordeling
Kinderopvangtoeslag (UHT-DCHO) bekend gemaakt.
2.3.
Bij e-mail van 21 januari 2025 heeft de CWS bevestigd het verzoek op
15 december 2023 is ontvangen. In de ontvangstbevestiging is meegedeeld dat de CWS alleen verzoeken kan behandelen van mensen die een definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag hebben gekregen van de UHT. [3] De Compensatiebeschikking UHT is nog niet klaar. Daarom kan het verzoek nog niet worden behandeld. Zodra eiseres de beschikking heeft gekregen van de UHT, kan zij opnieuw een verzoek insturen of het eerdere verzoekformulier opnieuw insturen.
2.4.
Eiseres heeft haar brief van 22 januari 2025, ontvangen bij verweerder op
23 januari 2025, ingediend als ingebrekestelling. Eiseres heeft op 27 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.
2.5.
Op 17 maart 2025 heeft verweerder de rechtbank gewezen op een e-mail van de
CWS van dezelfde datum, waarin is vermeld dat er geen verzoek is ontvangen, waardoor geen sprake kan zijn van niet tijdig beslissen. Op 27 maart 2025 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de ingebrekestelling niet in behandeling wordt genomen, omdat de CWS geen verzoek heeft ontvangen.
2.6.
Eiseres heeft bij e-mail van 2 april 2025 gewezen op de ontvangstbevestiging van
haar verzoek van 15 december 2023.
2.7.
Verweerder heeft de rechtbank op 14 april 2025 enkele stukken ingezonden en
meegedeeld dat inmiddels is gebleken dat op 15 december 2023 wel een verzoek is ontvangen en dat de CWS daarop heeft gereageerd op 21 januari 2025. De CWS kon het verzoek van 15 december 2023 niet registreren als een formeel verzoek, vanwege het ontbreken van een definitieve beschikking. In een dergelijk geval maakt de CWS geen dossier aan. Daarom was de CWS niet bekend met eiseres. Op 4 december 2024 is een definitieve beslissing genomen, maar naar aanleiding daarvan is geen nieuw verzoek ingediend bij de CWS. Daarom is, volgens verweerder, geen sprake van een niet tijdig beslissen op het verzoek. Verweerder heeft op 2 juli 2025 en 5 augustus 2025 zijn verweer aangevuld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3.1.
Het onderhavige beroep is het eerste beroep van eiseres gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
3.2.
Verweerder heeft pas op zitting meegedeeld dat de ontvangstbevestiging van
21 januari 2025 een herhaling is van wat de CWS al bij e-mail van 11 december 2023 aan eiseres heeft meegedeeld. Eiseres heeft meegedeeld dat zij niet bekend is met de e-mail van 11 december 2023. De rechtbank overweegt dat eiseres haar verzoek op 15 december 2023 heeft ingediend. Verweerder heeft de e-mail van 11 december 2023, die dateert van voor het verzoek, niet overgelegd. De rechtbank laat dit verder buiten beschouwing. Meer van belang is dat de definitieve beslissing van 4 december 2024 ten tijde van de ontvangstbevestiging van 21 januari 2025 al was genomen.
3.3.
Eiseres heeft op zitting desgevraagd meegedeeld dat zij na de ontvangst van de definitieve beslissing van 4 december 2024 en de ontvangstbevestiging van 21 januari 2025 geen nieuw verzoek heeft ingediend. De reden hiervan is dat zij meende dat met “definitieve beslissing” een onherroepelijke beslissing werd bedoeld.
De rechtbank overweegt dat de mededeling in de ontvangstbevestiging van de CWS dat de Compensatiebeschikking UHT nog niet klaar is, onjuist was, nu de definitieve beslissing er al was. Met “definitieve beslissing” wordt voorts niet een onherroepelijke beslissing bedoeld. Op zitting is gebleken dat bij eiseres op dit punt sprake was van een misverstand.
Tegen een definitieve beslissing, zijnde een primair besluit, kan bezwaar worden gemaakt. De betrokkene kan, als de werkelijke schade hoger is dan het herstelbedrag - nadat deze met de definitieve beslissing is vastgesteld -, een verzoek om aanvullende compensatie indienen bij de CWS. Eiseres heeft haar brief op 23 januari 2025 als een ingebrekestelling ingediend, gevolgd door het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek.
De rechtbank overweegt dat het voor verweerder, gelet op voornoemde omstandigheden tezamen, voldoende duidelijk had moeten zijn dat eiseres in ieder geval op 23 januari 2025 uitging van een verzoek om aanvullende compensatie en dat verweerder dit in behandeling zou nemen. Het had op de weg van verweerder gelegen om zich bij onduidelijkheden te wenden tot eiseres. Dit heeft verweerder niet gedaan. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat eiseres op 23 januari 2025 haar verzoek kenbaar heeft gemaakt en daarmee kan die brief niet ook als een ingebrekestelling gelden.
4.1.
De vraag is vervolgens welke betekenis aan het voorgaande (zie 3.3.) toekomt voor de vraag of al dan niet sprake is van het niet tijdig beslissen op een verzoek en welke nadere beslistermijn eventueel moet worden bepaald.
4.2.
Uit rechtspraak blijkt dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaar [4] en een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag (een verzoek). [5] Het gaat hier dus om een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag, zodat moet worden uitgegaan van de uitspraak van de Afdeling genoemd in voetnoot 7. Gelet op overweging 5 van die uitspraak heeft verweerder, gelet op artikel 6.2., eerste lid, van de Wht [6] , een beslistermijn van zes maanden na ontvangst van het verzoek. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. Verweerder heeft dus een wettelijke beslistermijn van in totaal een jaar om een besluit op de aanvraag te nemen. De rechtbank Den Haag heeft in recente rechtspraak [7] voorts bepaalt dat bij gegronde beroepen tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om aanvullende compensatie een nadere beslistermijn van 35 weken aan de orde is.
4.3.
De rechtbank overweegt, uitgaande van een verzoek op 23 januari 2025, dat de wettelijke beslistermijn zes maanden is na ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn eindigde dus op 23 juli 2025. Niet gebleken is dat verweerder deze beslistermijn heeft verlengd. Evenmin is gebleken dat eiseres verweerder na 23 juli 2025 een ingebrekestelling heeft gestuurd. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb om beroep te kunnen instellen tegen het niet tijdig beslissen.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit leidt ertoe dat het bepalen van een nadere beslistermijn dan wel een dwangsom niet aan de orde is. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2025:1301, r.o. 2.
5.Zie de uitspraak van de afdeling van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.
6.Wet hersteloperatie toeslagen.
7.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11094.