ECLI:NL:RBDHA:2025:20926
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig beslissen op verzoek aanvullende compensatie kinderopvangtoeslag
Eiseres heeft op 15 december 2023 een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. De CWS bevestigde de ontvangst op 21 januari 2025, maar gaf onterecht aan dat de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag nog niet was genomen, terwijl die definitieve beslissing al op 4 december 2024 was genomen.
Eiseres diende op 23 januari 2025 een brief in die zij als ingebrekestelling aanmerkte en stelde op 27 februari 2025 beroep in wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek. Verweerder stelde dat de CWS geen verzoek had ontvangen en dat er daarom geen sprake was van niet tijdig beslissen. Later erkende verweerder dat het verzoek wel was ontvangen, maar dat de CWS dit niet als formeel verzoek kon behandelen vanwege het ontbreken van een definitieve beschikking op dat moment.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 23 januari 2025 niet als ingebrekestelling kan gelden omdat eiseres daarmee haar verzoek kenbaar maakte. De wettelijke beslistermijn van zes maanden na ontvangst van het verzoek eindigde op 23 juli 2025, zonder dat verweerder deze termijn verlengde of dat eiseres na die datum een ingebrekestelling stuurde.
Omdat niet is voldaan aan de vereiste ingebrekestelling conform artikel 6:12, tweede lid, Awb, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een nadere beslistermijn of dwangsom wordt niet vastgesteld en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om aanvullende compensatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling.