ECLI:NL:RBDHA:2025:20652

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.3262
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 2:4 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over afwijzing MVV-aanvraag jongvolwassene onder artikel 8 EVRM

Eiser, een jongvolwassene van Pakistaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn MVV-aanvraag om bij zijn vader, de referent, in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af op grond van het jongvolwassenenbeleid en een belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank heeft in een zitting met betrokkenen, waaronder minderjarige zussen van eiser, kindgesprekken gevoerd. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is, met name omdat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging. Ook is de motivering over de hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn minderjarige zussen onvoldoende.

De rechtbank wijst erop dat het belang van het kind voorop moet staan en dat de minister onvoldoende heeft toegelicht tegen welk belang van de Staat het familie- en gezinsleven wordt afgewogen. De minister krijgt de gelegenheid om binnen zes weken de gebreken te herstellen met een nieuwe of aanvullende beslissing, waarna eiser kan reageren. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit binnen zes weken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.3262
[V-Nummer]

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2000, van Pakistaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. E.H.J.M de Bonth).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing
van zijn aanvraag om een mvv [1] onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (referent) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Referent is zijn vader.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
1.3
Eiser heeft drie zussen, waarvan twee minderjarig. [zus 1] is geboren op [geboortedatum 2] 2009 en [zus 2] op [geboortedatum 3] 2011. De rechtbank heeft [zus 1] en [zus 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over deze procedure. Voorafgaand aan de zitting op 14 augustus 2025 heeft de rechter in aanwezigheid van de griffier en een tolk in de taal Urdu, R. Raj, kindgesprekken gehouden met hen.
1.4.
De rechtbank heeft de zaak van eiser op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, zijn moeder, tante, oudste zus en A. Hairan als tolk in de taal Urdu. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd tot stand is gekomen. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Zij doet daarom een tussenuitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank heeft voor [zus 1] en [zus 2] een aparte terugkoppeling van de beslissing gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een samenvatting, is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Griffierecht
5. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
6. Eiser, zijn moeder en drie zussen hebben de Pakistaanse nationaliteit en verbleven samen in Pakistan. Referent, de vader van eiser en zijn zussen, heeft ook de Pakistaanse nationaliteit en verblijft sinds 1977 in Nederland op grond van een reguliere verblijfsvergunning. Op 6 maart 1998 is hij in Pakistan gehuwd met de moeder van eiser. In 2016 hebben eiser en zijn zussen een aanvraag ingediend om bij referent in Nederland te verblijven. Deze aanvraag is toen afgewezen, omdat referent niet voldeed aan het inkomensvereiste. Op 11 mei 2023 hebben eiser, zijn moeder en zussen opnieuw een aanvraag ingediend. De aanvragen van eisers moeder en zussen zijn door de minister ingewilligd. Zij zijn medio maart 2024 Nederland ingereisd en hebben sinds 13 maart 2024 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij referent.
6.1.
De aanvraag van eiser is op 8 februari 2024 door de minister afgewezen. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan. Op 3 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard omdat eiser volgens de minister niet onder het jongvolwassenebeleid valt nu er geen sprake is van samenwoning. Eiseres gemachtigde heeft in reactie daarop een brief naar de minister gestuurd en vervolgens is het besluit ingetrokken. Op 15 januari 2025 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van eiser beslist. In dit besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser wel onder het jongvolwassenebeleid valt, maar dat er geen sprake is van 'more than the normal emotional ties' waardoor er geen belangenafweging hoeft plaats te vinden. Tegen dit besluit is eiser in beroep gegaan. Ook dit besluit heeft de minister, hangende beroep, ingetrokken. Dit omdat er volgens de minister wel een belangenafweging diende plaats te vinden. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 heeft de minister voor de derde keer beslist op het bezwaar van eiser en is de aanvraag wederom afgewezen. De minister komt tot de conclusie dat eiser onder het jongvolwassenebeleid valt en dat er tussen hem en zijn moeder sprake is van familie -en gezinsleven. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit. Verder is volgens de minister geen sprake van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn minderjarige zussen, omdat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft gemotiveerd beroep ingesteld.
Het kindgesprek
7. Aangezien de procedure ook invloed heeft op de belangen van de minderjarige zussen van eiser, [zus 1] en [zus 2] , heeft de rechtbank zoals gezegd een kindgesprek met hen gevoerd. De rechtbank heeft daar op de zitting een samenvatting van gegeven. De samenvatting is ook aan het digitale dossier toegevoegd. Wat [zus 1] en [zus 2] tijdens dit kindgesprek hebben verteld, zal de rechtbank – voor zover van belang – bij de beoordeling betrekken.
Vooringenomenheid
8. Eiser voert allereerst aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2:4 van Pro de Awb [3] . Alle besluiten zijn namelijk genomen door dezelfde beslismedewerker. Deze beslismedewerker heeft het besluit twee keer ingetrokken. Eiser meent dat aannemelijk is dat de beslismedewerker geen gezichtsverlies heeft willen lijden, nu hij zijn besluit op bezwaar tweemaal heeft moeten intrekken en dat hij daarom heeft gepersisteerd bij een ongegrondverklaring. Ook heeft eiser aan de minister voorafgaand aan het bestreden besluit verzocht om een andere beslismedewerker. De minister heeft hier niet op gereageerd. Op de zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de conclusie in alle drie de besluiten exact hetzelfde is. Eiser meent dat hieruit vooringenomenheid blijkt wat op grond van artikel 2:4 van Pro de Awb niet is toegestaan.
8.1.
De minister heeft op de zitting verklaard dat alle drie de beslissingen op bezwaar in lijn zijn met elkaar en dezelfde strekking hebben waardoor het bestreden besluit niet zodanig afwijkt van de eerdere twee ingetrokken besluiten. Het gaat volgens de minister dan ook om de waardering van de feiten en hoe de minister daarover denkt. Verder voert de minister aan dat het de gebruikelijk werkwijze is dat, na de intrekking van een besluit, dezelfde beslismedewerker het nieuwe besluit neemt in het kader van zijn of haar leerproces. Ook heeft de minister verklaard dat er in beginsel gehoor kan worden gegeven aan een verzoek om een andere beslismedewerker, maar dat de minister hier niet zonder meer gehoor aan hoeft te geven.
8.2.
De stelling van de minister dat alle drie de besluiten in lijn zijn met elkaar en dezelfde strekking hebben volgt de rechtbank niet. De minister heeft immers in de drie besluiten verschillende juridische argumentatie gebruikt binnen de toets van artikel 8 van Pro het EVRM. [4] Met deze stelling van de minister, die de rechtbank dus niet volgt, zou juist de indruk gewekt kunnen worden dat er niet met een open vizier naar de zaak is gekeken. Dat dezelfde beslismedeweker, na een intrekking, het nieuwe besluit neemt in het kader van het leerproces kan de rechtbank wel volgen. Daarnaast bestaat er geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat het nieuw te nemen besluit na een intrekking niet door dezelfde beslismedewerker mag worden genomen. Dat de conclusies in alle drie de besluiten exact overeenkomen, namelijk dat het bezwaar ongegrond is, doet hier niet aan af. In alle drie de besluiten is zoals gezegd een andere juridische toets toegepast. De rechtbank ziet ook in het dossier geen aanknopingspunten waaruit valt af te leiden dat het bestreden besluit met vooringenomenheid is genomen. De beroepsgrond slaagt niet.
De belangenafweging
9. Niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en zijn moeder op grond van het jongvolwassenenbeleid. In geschil is of de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen.
9.1.
Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid toetsen. [5] De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. [6]
10. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit meerdere gebreken kleven. De minister heeft de belangenafweging niet zorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit welke gebreken er zijn en welke gevolgen dit heeft.
11. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. Om te beginnen heeft de minister in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat eiser valt onder het jongvolwassenenbeleid en dat daarom sprake is van familie- en gezinsleven tussen hem en zijn moeder in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt hoe dit gegeven vervolgens in de belangenafweging is betrokken. Daarnaast heeft eiser in bezwaar aangevoerd dat er, gezien de medische gezondheid van zijn vader, een subjectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Pakistan uit te oefenen. De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit, en in het verweerschrift, niet in is gegaan op deze bezwaargrond. Ook dit is een gebrek. Op de zitting heeft de minister uitgelegd dat er geen sprake is van een subjectieve belemmering, omdat eisers vader al sinds 1977 in Nederland verblijft en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader niet in Pakistan behandeld kan worden. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister op de zitting zo dat het gezinsleven altijd op deze manier heeft plaatsgevonden. Met eiser, zijn zussen en hun moeder in Pakistan en referent in Nederland. Hierdoor zou er dan, zo begrijpt de rechtbank, geen sprake zijn van een inmenging in het gezinsleven tussen eiser en zijn vader, referent, en dus ook geen subjectieve belemmering om het gezinsleven in Pakistan uit te oefenen. De rechtbank begrijpt dit standpunt niet omdat de situatie nu anders is. De moeder en zussen van eiser zijn immers naar Nederland vertrokken, terwijl eiser alleen in Pakistan is achtergebleven. Dit speelde al voordat de (derde) beslissing op bezwaar is genomen. Bovendien leest de rechtbank de uitleg die de minister op de zitting heeft gegeven niet terug in het bestreden besluit.
12. De rechtbank overweegt verder dat het belang van het kind voorop moet staan als het gaat om het maken van een belangenafweging waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn. [7] De opmerking van de minister op de zitting dat de belangen van de kinderen alleen moeten worden meegewogen in de belangenafweging als er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn zussen, volgt de rechtbank niet. Volgens het beleid van de minister vormt in iedere beslissing het belang van het kind een eerste overweging waaraan aanzienlijk gewicht toekomt. [8] Ook in het bestreden besluit heeft de minister opgenomen dat de belangen van aanwezig(e) kind(eren) betrokken moeten worden bij de beoordeling. [9] De minister heeft in het bestreden besluit het belang van de minderjarige zussen echter alleen meegewogen in het licht van de vraag of er sprake is van beschermenswaardig gezinsleven tussen hen en eiser, in de zin van hechte persoonlijke banden. Maar niet in het kader van de belangenafweging die gemaakt is in het licht van het door de minister aangenomen gezinsleven tussen eiser en zijn moeder. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank afbreuk aan het gewicht dat moet toekomen aan het belang van [zus 1] en [zus 2] . De minister had daarom ook bij zijn beoordeling dienen te betrekken wat het voor hen betekent om op afstand van elkaar te zijn nu zij altijd in Pakistan hebben samengewoond met eiser.
12.1.
Ook volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat niet duidelijk is gemotiveerd tegen welk belang van de Staat het belang van eiser wordt gewogen. Voorop staat dat het recht op familie- of gezinsleven in artikel 8 van Pro het EVRM alleen kan worden beperkt op de gronden genoemd in het tweede lid van dat artikel. De minister heeft in het bestreden besluit als belang van de Nederlandse Staat genoemd: het gebruik van regels voor de toelating en het verblijf van vreemdelingen, dat artikel 8 van Pro het EVRM geen recht biedt op domicilie keuze en dat de verplichting om verblijf toe te staan op grond van artikel 8 van Pro het EVRM afhankelijk is van de individuele omstandigheden van het geval. Dat zijn geen gronden in de zin van voornoemde bepaling. Zo heeft de minister bijvoorbeeld niet de economische belangen van de Staat toegelicht. Hierdoor is het ook onduidelijk welk gewicht er precies aan het belang van de Staat wordt gehecht.
13. Omdat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken is de rechtbank van oordeel dat daarom al sprake is van gebreken in de besluitvorming. De minister dient dus wat de rechtbank betreft sowieso een nieuwe belangenafweging te maken en deze feiten en omstandigheden kenbaar te betrekken.
14. Maar de minister heeft niet alleen nagelaten om alle feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling te betrekken. Ook is de weging (“fair balance”) van de feiten en omstandigheden die wel zijn betrokken, op sommige punten gebrekkig geweest. De rechtbank wil dat alvast meegeven aan de minister voor een eventueel nieuw te maken belangenafweging. Zo is het niet duidelijk welke genoemde feiten en omstandigheden in het voordeel en in het nadeel van eiser zijn betrokken en hoeveel gewicht de minister hieraan heeft toegekend. De rechtbank legt dat hierna uit.
14.1.
Op 16 oktober 2024 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Uit het zakelijke verslag van de hoorzitting volgt dat er uitvoerig is gesproken over waar het contact tussen eiser en het gezin in Nederland uit bestaat en de intensiteit hiervan. Met de enkele opmerking in het bestreden besluit dat het telefonisch contact tussen eiser en het gezin onvoldoende is om tot een andere uitkomst te komen, ziet de rechtbank niet in hoe de minister het intensieve contact bij zijn weging van de belangen heeft betrokken. De minister heeft op de zitting nog opgemerkt dat een intensief gezinsleven wordt aangenomen, maar dat het intensieve contact moet worden afgewogen tegen alle andere omstandigheden. Het contact tussen eiser en het gezin in Nederland is dan ook normaal contact tussen familieleden van iemand die studeert en waarbij het goed gaat. Deze omstandigheden zijn tegen elkaar afgezet en dan is de minister van mening dat het belang van de Staat zwaarder weegt. De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze opmerking op de zitting onvoldoende heeft gemotiveerd hoe en met welk gewicht het intensieve gezinsleven in de beoordeling is meegewogen. En evenmin blijkt dit uit het bestreden besluit. Verder is in de belangenafweging wel benoemd dat eiser alleen in Pakistan is achtergebleven, maar onduidelijk is hoeveel gewicht de minister hier aan heeft toegekend.
14.2
Dit geldt ook voor de banden van eiser met Pakistan en Nederland. De minister heeft uitgelegd waar de banden met Pakistan en Nederland uit bestaan. Zo heeft de minister geconcludeerd dat eiser een sterke binding met Pakistan heeft, omdat hij daar van geboorte tot op heden heeft gewoond en geleefd en dat de enkele binding van eiser met Nederland via zijn familie-/gezinsleden is. Onduidelijk is echter hoeveel gewicht de minister hieraan heeft toegekend. De minister heeft op de zitting nog opgemerkt dat met de uitleg over de banden met Pakistan en Nederland bedoeld wordt dat er geen sprake is van inmenging in het gezinsleven van eiser omdat het gezin nooit heeft samengewoond. Het gezin gaf uitvoering aan hun gezinsleven met vader in Nederland en met eiser, zijn moeder en zussen in Pakistan. In die zin wordt het gezin niet uit elkaar gehaald omdat er nooit sprake was van samenwoning met het hele gezin. De rechtbank overweegt dat zij dit standpunt niet op die manier terugleest in het bestreden besluit en is van oordeel dat de minister met deze opmerking op de zitting ook onvoldoende gemotiveerd heeft waarom er dan geen sprake is van inmenging in het gezinsleven. Eiser heeft namelijk wel altijd met zijn moeder en zussen in Pakistan gewoond voordat zij naar Nederland vertrokken. Overigens kan de rechtbank ook niet goed volgen dat de minister aan de ene kant stelt dat eiser geen vaderrol vervulde voor zijn zusjes, anders dan [zus 1] aan de rechtbank heeft verteld, omdat de vader aanwezig was in het leven van de kinderen. En aan de andere kant stelt dat vader altijd in Nederland heeft gewoond en er in die zin geen sprake van familieleven is geweest tussen hem en het gezin.
14.3.
Zoals volgt uit de werkinstructie [10] heeft de minister in beginsel een minder ruime beoordelingsruimte bij de overkomst van achtergebleven gezinsleden, omdat niet alleen sprake is van migratiecontrole maar ook van reeds bestaand gezinsleven. Er moet een evenwichtige belangenafweging zijn tussen deze twee belangen. Gelet op voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank geen kenbare evenwichtige belangenafweging gemaakt.
Gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarigezussen
15. In het bestreden besluit heeft de minister geconcludeerd dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser enerzijds en zijn twee minderjarige zussen [zus 1] en [zus 2] in Nederland anderzijds. Er is immers geen sprake meer van samenwoning sinds medio maart 2024, tot op heden. De aangevoerde en enkele omstandigheid, dat er dagelijks urenlang whatsapp- en telefonisch contact is tussen hen leidt hierbij niet tot een andere conclusie. Dit is onvoldoende om hierom al te concluderen dat er sprake is van familie-/ gezinsleven tussen eiser en zijn twee minderjarige zussen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
15.1.
De rechtbank volgt de minister niet en overweegt als volgt. Uit de hoorzitting van 16 oktober 2024 volgt dat de zussen van eiser zodra zij uit school komen hem elke dag videobellen en dat dit voortduurt totdat ze naar bed gaan. Ook tijdens het kindgesprek voorafgaand aan de zitting hebben zowel [zus 1] als [zus 2] verklaard dat zij elke dag telefonisch contact met elkaar hebben. De minister heeft op de zitting hierover aangevuld dat eiser geen ouderrol vervulde omdat de vader in het leven van de minderjarige zussen aanwezig is. Ook vervulde eiser geen rol als primaire zorgverlener. De rechtbank overweegt dat uit het beleid van de minister volgt dat ook frequent contact zonder feitelijke samenwoning in voorkomende gevallen kan duiden op persoonlijke banden. Zo volgt uit het beleid van de minister dat:
“Hechte persoonlijke banden’ een begrip is van feitelijke aard. Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie.”
En:
“Samenwonen van de bloed- of aanverwant en het kind kan duiden op hechte persoonlijke banden, waarmee niet gezegd is dat op grond van iedere willekeurige periode van samenwoning een hechte persoonlijke band kan worden aangenomen. Anderzijds is het ook mogelijk dat frequent contact zonder feitelijke samenwoning in voorkomende gevallen kan duiden op hechte persoonlijke banden”. [11]
De minister heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende gemotiveerd waarom het intensieve contact tussen eiser en zijn minderjarige zussen onvoldoende is om te kunnen concluderen dat er sprake is van hechte banden en dus van familie-/gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
Moment indienen aanvraag
16. De rechtbank merkt nog op dat het erop lijkt dat de minister in het bestreden besluit aan eiser heeft tegengeworpen dat hij de aanvraag pas heeft ingediend toen hij al ruimschoots meerderjarig was. Op de zitting heeft de minister dat genuanceerd, in die zin dat het gevolg van een te late aanvraag is dat een ander toetsingskader wordt gehanteerd maar dat het eiser niet wordt tegengeworpen. Dat is op zichzelf natuurlijk juist. De rechtbank leest dit echter niet terug in het bestreden besluit. Door de uitgebreide beschrijving in het bestreden besluit van de late aanvraag lijkt het wel degelijk een factor te zijn die aan eiser wordt tegengeworpen. De rechtbank geeft de minister mee om daar ook nog goed naar te kijken.
17. Daar komt bij dat als een bestuursorgaan voor de derde keer een beslissing op bezwaar neemt, na twee intrekkingen, er vanuit mag worden gegaan dat er met extra zorgvuldigheid naar de situatie wordt gekeken. Juist in dit soort zaken waar een jongvolwassene centraal staat en er minderjarige kinderen zijn betrokken mag er verwacht worden dat de minister een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging maakt. De rechtbank constateert dat aan het besluit meerdere gebreken kleven en dat op de zitting door de minister vaak is uitgelegd hoe een stelling bedoeld is terwijl dit in het bestreden besluit nergens terug te lezen is.

Conclusie en gevolgen

18. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit op meerdere punten genomen in strijd met de artikelen 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding) en 3:46 van de Awb (deugdelijke motivering). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet de minister alle feiten en omstandigheden kenbaar en voldoende gemotiveerd bij de belangenafweging betrekken en een evenwichtige belangenafweging maken.
18.1.
De rechtbank geeft de minister ook nog mee, onder verwijzing naar artikel 12 IVRK Pro [12] , om [zus 1] en [zus 2] zelf te horen. Zij zijn namelijk vijftien en dertien jaar en gebleken is dat zij in staat zijn om hun mening te vormen over de voorliggende situatie.
18.2.
De rechtbank geeft de minister tot slot mee om de aanvullende motivering of de nieuwe beslissing op bezwaar door een andere beslismedewerker te laten nemen. Zoals eerder geoordeeld volgt het op zichzelf niet uit een wettelijke bepaling dat dat zou moeten en heeft de rechtbank ook alle begrip voor het leerproces van beslismedewerkers. Maar omdat het om een vierde beslissing zal gaan [13] , lijkt de rechtbank dat niet onverstandig.
18.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
18.4.
De rechtbank zal eiser vervolgens in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder een tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
18.5.
Mocht de minister op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb overigens geen gebruik willen maken van de geboden gelegenheid om de gebreken te herstellen dan dient de minister dit uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak te vermelden.
18.6.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [14] De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. K. Mertens, griffier.

Bijlage: terugkoppeling van de uitspraak aan [zus 1] en [zus 2]

Beste [zus 1] ,
Op 14 augustus 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Je hebt mij verteld dat je het fijn hebt in Nederland maar dat je het wel moeilijk vindt zonder je broer. Je maakt je zorgen om hem omdat hij alleen in Pakistan verblijft. Vroeger in Pakistan deden jullie veel samen, hij was een soort vaderfiguur voor jou. Nu hebben jullie contact via videobellen en hebben jullie het soms over de toekomst. Je maakt je ook zorgen over je moeder omdat zij depressief is. Je wil dat je broer naar Nederland komt zodat jullie uitstapjes in Nederland kunnen maken en als gezin verder kunnen gaan. Je hebt ook verteld dat je broer verdrietig is en niet blij is in Pakistan door de oorlog met India.
Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.
Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar heb ik gepraat met jouw moeder, je oudste zus, je tante en de advocaat. Ik heb ook gepraat met de mevrouw die namens de minister van Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.
Ik heb besloten dat de minister beter naar jullie situatie moet kijken. Beter naar de situatie van jouw broer, maar ook beter naar de band die hij met jou heeft en wat het voor jou betekent dat jouw broer in Pakistan is. De minister krijgt daarom de kans om zijn beslissing te herstellen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.
Mijn tussenbeslissing betekent niet dat jouw broer naar Nederland mag komen. De minister krijgt eerst de kans om opnieuw naar de situatie kijken en zijn beslissing te herstellen. Ik heb de minister daarvoor zes weken gegeven. Als de minister ervoor kiest om zijn beslissing te herstellen, dan is het de bedoeling dat jullie binnen deze termijn de aangepaste beslissing krijgen.
De advocaat mag dan reageren op die beslissing. Daarna ga ik nadenken hoe we verder gaan met deze zaak. Misschien ga ik nog vragen stellen aan de minister of aan de advocaat. Misschien is het nodig om een nieuwe zitting te houden. Maar het kan ook zijn dat ik een eind beslissing neem over de zaak. Als dat zo is, dan zal ik jou opnieuw een brief sturen en uitleggen hoe het zit.
Ik vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij ervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met je gaat.
Groetjes,
De rechter.
Beste [zus 2] ,
Op 14 augustus 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Je hebt mij verteld dat je niet blij was toen je hoorde dat jullie naar Nederland mochten komen omdat je bij je broer in Pakistan wilde blijven. Vroeger in Pakistan deden jullie veel samen. Hij bracht je naar school en jullie sliepen op dezelfde kamer. Hij was een soort vaderfiguur voor jou omdat je vader ongeveer één keer per jaar naar Pakistan kwam. Nu hebben jullie elke dag contact via videobellen en hebben jullie het over dingen die je die dag gedaan hebt. Je mist hem heel erg. Je enige wens is dat je broer naar Nederland komt. Anders ga je naar Pakistan om hem te bezoeken.
Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.
Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar heb ik gepraat met jouw moeder, je oudste zus, je tante en de advocaat. Ik heb ook gepraat met de mevrouw die namens de minister van Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.
Ik heb besloten dat de minister beter naar jullie situatie moet kijken. Beter naar de situatie van jouw broer, maar ook beter naar de band die hij met jou heeft en wat het voor jou betekent dat jouw broer in Pakistan is. De minister krijgt daarom de kans om zijn beslissing te herstellen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.
Mijn tussenbeslissing betekent niet dat jouw broer naar Nederland mag komen. De minister krijgt eerst de kans om opnieuw naar de situatie kijken en zijn beslissing te herstellen. Ik heb de minister daarvoor een termijn van zes weken gegeven. Als de minister ervoor kiest om zijn beslissing te herstellen, dan is het de bedoeling dat jullie binnen deze termijn de aangepaste beslissing krijgen.
De advocaat mag dan reageren op die beslissing. Daarna ga ik nadenken hoe we verder gaan met deze zaak. Misschien ga ik nog vragen stellen aan de minister of aan de advocaat. Misschien is het nodig om een nieuwe zitting te houden. Maar het kan ook zijn dat ik een eind beslissing neem over de zaak. Als dat zo is, dan zal ik jou opnieuw een brief sturen en uitleggen hoe het zit. Ik vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij ervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met je gaat.
Groetjes,
De rechter.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Zie rechtsoverweging 6.1.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.
7.Artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind.
8.Zoals is opgenomen in paragraaf 8 van Werkinstructie 2020/16.
9.Bestreden besluit, pagina 7.
10.Werkinstructie 2020/16, pagina 15.
11.Werkinstructie 2020/16, pagina 8.
12.Ingevolge artikel 12, eerste lid, IVRK heeft het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening te uiten in een procedure die hem of haar (in)direct aangaat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het kind daartoe in de gelegenheid moet worden gesteld, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling. Deze verplichting geldt zowel in gerechtelijke procedures als in bestuurlijke procedures.
13.In de vorm van een aanvullend of nieuw besluit.
14.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.