ECLI:NL:RBDHA:2025:2037
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis bij haar referent. Volgens de Vreemdelingenwet 2000 had de minister binnen 90 dagen moeten beslissen, met een verlenging van drie maanden, waardoor uiterlijk 9 augustus 2024 een besluit had moeten zijn genomen. Dit is niet gebeurd. Eiseres stelde de minister op 18 september 2024 rechtsgeldig in gebreke en diende op 6 december 2024 haar beroep in, dat tijdig werd geacht.
De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig beslissen gelijkstaat aan een besluit en verklaart het beroep gegrond. Gelet op de bijzondere omstandigheden bij aanvragen om gezinshereniging bij houders van een asielvergunning, legt de rechtbank een nadere beslistermijn van acht weken op, met een mogelijke verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek noodzakelijk is en schriftelijk wordt meegedeeld.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de minister een dwangsom van €100 per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 worden vastgesteld en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 en het griffierecht van €187. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 10 februari 2025.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met dwangsommen en proceskostenveroordeling.