ECLI:NL:RBDHA:2025:20369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
NL25.48702 + NL25.48705
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvragen van Turkse nationaliteit in het kader van de Dublinverordening

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag de beroepen van eisers, een gezin van Turkse nationaliteit, tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvragen op 7 oktober 2025 afgewezen, met het argument dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvragen op basis van de Dublinverordening. De rechtbank heeft de beroepen op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eisers en hun gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk.

De rechtbank oordeelt dat de minister in zijn recht staat om de aanvragen niet in behandeling te nemen, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de behandeling van de asielaanvragen in Kroatië in strijd zou zijn met de mensenrechten. Eisers hebben aangevoerd dat zij in Kroatië onmenselijk zijn behandeld en dat zij niet kunnen vertrouwen op de Kroatische autoriteiten. De rechtbank stelt echter vast dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat lidstaten van de EU ervan uit mogen gaan dat andere lidstaten hun internationale verplichtingen nakomen.

De rechtbank concludeert dat eisers onvoldoende bewijs hebben geleverd om aan te tonen dat hun situatie in Kroatië zou leiden tot een schending van hun rechten onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, wat betekent dat de beslissing van de minister om de aanvragen niet in behandeling te nemen, in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten en de uitspraak is openbaar gemaakt op 30 oktober 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.48702 en NL25.48705

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] en [eiseres], V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] , eisers,
mede namens hun minderjarige kind [minderjarige], V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eisers stellen van Turkse nationaliteit te zijn. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 7 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, K. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere
lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië verzoeken om terugname gedaan. Kroatië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van de verzoeken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eisers stellen dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voeren eisers aan dat zij in detentie onmenselijk zijn behandeld en hierover niet konden klagen bij de Kroatische autoriteiten. De autoriteiten waren immers degenen die eisers hebben mishandeld en niet gesteld kan worden dat eisers bij diezelfde autoriteiten om bescherming dienen te vragen.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Kroatië bevestigd in de uitspraken van 10 december 20242 en 20 augustus 20253. Dit betekent dat de minister in beginsel ervanuit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen en dat de behandeling van eisers in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kunnen zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eisers aannemelijk maken dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
8. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De verklaringen van eisers over de behandeling in Kroatië zijn onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. De persoonlijke ervaringen van eisers doen niet af aan het oordeel dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij zijn eisers niet eerder als Dublinclaimant door Kroatië teruggenomen en kunnen zij dus niet vanuit persoonlijke ervaringen spreken. Eisers situatie in Kroatië en wat zij daarover hebben verklaard, deed zich immers voor toen zij Kroatië op illegale wijze betraden. Eisers zullen ditmaal Kroatië echter niet op diezelfde (illegale) wijze betreden, maar
als Dublinclaimanten gereguleerd worden overgedragen. Het is dan ook niet aannemelijk dat eisers in dezelfde situatie terecht komen als voorheen. Indien eisers in Kroatië toch worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van hun asielaanvragen, in de opvang of anderszins, kunnen zij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eisers niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
9. Eisers stellen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvragen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Hiertoe voeren eisers aan dat de minister gelet op hun medische omstandigheden de asielaanvragen onverplicht aan zich had moeten trekken. Eiseres heeft last van paniekaanvallen door traumatische ervaringen. Deze paniekaanvallen zijn verdubbeld sinds de gebeurtenissen in Kroatië. Zij gebruikt hiervoor medicatie en ziet elke twee weken een psychiater. Eiser heeft onlangs zijn kies moeten laten trekken, als gevolg van knarsetanden door de detentieomstandigheden in Kroatië. Eisers overleggen ter onderbouwing hun medisch journaal en de afsprakenkaart van eiseres bij de psychiater. Verder wordt niet ingezien hoe de behandeling van eisers en hun minderjarige kind in Kroatië, geen aanleiding is voor de minister om individuele garanties op te vragen, dan wel de asielaanvraag onverplicht naar zich toe te trekken. Eisers verwijzen naar een uitspraak van een vergelijkbare zaak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 februari 20254. Daar oordeelt de rechtbank dat gezien de impact van de omstandigheden op de gezondheidstoestand van de betrokkenen, de minister de asielaanvragen onverplicht aan zich had moeten trekken.
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 bevat het beleid dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van
de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvragen niet onverplicht aan zich had hoeven trekken. Er zijn geen bijzondere, individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de overdracht aan Kroatië onevenredig hard is. Eisers hebben geen objectieve gegevens overgelegd die de bijzondere ernst van hun gezondheidstoestand aantonen en ook niet eventuele aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van een overdracht. Eiseres heeft weliswaar psychische klachten waarvoor zij medicatie en behandeling nodig heeft, maar uit de (medische) stukken blijkt niet dat overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand zou leiden. Bovendien mag de minister op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat Kroatië over dezelfde medische voorzieningen beschikt als Nederland. De Kroatische autoriteiten kunnen eiseres dus voorzien in de benodigde zorg, dit geldt eveneens voor eiser en de zoon van eisers. Eisers hebben niet onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is voor behandeling of dat Kroatië zonder individuele garanties geen behandeling aan hen zal verstrekken. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 20245 heeft overwogen dat adequate psychische gezondheidszorg beschikbaar is in Kroatië. Zoals onder het
interstatelijk vertrouwensbeginsel ook al is geoordeeld, zullen eisers
als Dublinclaimant gereguleerd worden overgedragen. Het is dan ook niet aannemelijk dat eisers in dezelfde situatie terecht komen dan voorheen. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister de belangen van eisers minderjarige kind voldoende heeft meegewogen bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.