ECLI:NL:RBDHA:2025:20213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL24.44101 en NL25.14308
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 28 VwArt. 30b VwArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herhaalde asielaanvraag Egyptische vrouw met vrees voor verlies zorgrecht en besnijdenis dochters

Eiseres, een Egyptische vrouw, diende een herhaalde asielaanvraag in vanwege vrees voor verlies van het zorgrecht over haar minderjarige dochters en het risico dat zij besneden zullen worden. Tevens vreest zij voor haar ex-man wegens mogelijke eerwraak. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, waarbij hij het risico op besnijdenis en verlies van zorgrecht onvoldoende aannemelijk achtte en de dreiging van de ex-man niet geloofwaardig vond.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het nieuwe samenstel van feiten en jurisprudentie, waaronder het arrest W.S. van het HvJEU, dat vrouwen in een vergelijkbare positie als een bijzondere sociale groep erkent. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de vrees voor verlies van zorgrecht en besnijdenis niet reëel is, en heeft nagelaten de dochters te horen, terwijl zij zelfstandige asielmotieven kunnen hebben.

Daarnaast is het gehoor van eiseres onvoldoende zorgvuldig verlopen, mede door haar psychische kwetsbaarheid en het ontbreken van een tolk. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak en aanvullend gehoord wordt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met aanvullend horen van eiseres en haar dochters.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.44101 (beroep) en NL25.14308 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [# 1] ,
mede namens haar minderjarige dochters:
[naam 1]en
[naam 2]
V-nummers: [# 2] en [# 3]
(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1982. Zij heeft mede namens haar minderjarige dochters op 16 mei 2022 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] gedaan. [naam 1] is geboren op [geboortedatum 2] 2012 en heeft de Amerikaanse en Egyptische nationaliteit. [naam 2] is geboren op [geboortedatum 3] 2010 en heeft de Egyptische nationaliteit. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 maart 2025 de aanvraag van eiseres en haar dochters afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter gevraagd verweerder te verbieden haar uit te zetten, totdat op het beroep is beslist.
2.2
Verweerder heeft op 20 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De rechtbank heeft de behandeling van de zaken op 23 juni 2025 geschorst vanwege problemen met een telefonische tolk. Het onderzoek in deze zaken is op 2 juli 2025 voortgezet, maar vanwege het ontbreken van een tolk heeft de rechtbank de behandeling van de zaken opnieuw geschorst. Op beide data was eiseres en de gemachtigde verschenen, maar verweerder niet. De rechtbank heeft op 1 augustus 2025 partijen een proces-verbaal met vragen toegestuurd en verweerder gevraagd hierop te reageren.
2.4
Verweerder heeft op 19 augustus 2025 per brief gereageerd. Eiser heeft op 12 september 2025 haar reactie daarop gegeven.
2.5
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en [naam 3] als tolk deelgenomen. Verweerder heeft zich opnieuw afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Wat voorafging
3. Eiseres heeft op 19 augustus 2020 haar eerste asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag op 17 december 2020 afgewezen als ongegrond. In haar uitspraak van 25 mei 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen het beroep tegen de afwijzende beslissing ongegrond verklaard [2] . De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep op 21 juni 2021 bevestigd [3] .
4. Eiseres heeft vervolgens voorliggende herhaalde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 18 april 2023 een voornemen en op 3 mei 2023 een aanvullend voornemen uitgebracht. Eisers heeft hierop met zienswijzen van 19 en 20 april 2023 en 21 en 25 juni 2023 en 11 juli 2024 gereageerd. Verweerder heeft met het bestreden besluit de aanvraag van eiseres afgewezen.
Het asielrelaas
5. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest dat haar ouders het zorgrecht over haar dochters zullen overnemen, dat haar dochters besneden zullen worden en dat zij vermoord zal worden door haar ex-man en zijn familieleden omdat zij van hem gescheiden en hertrouwd is. Eiseres heeft dit in de vorige procedure ook in haar asielrelaas naar voren gebracht.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
geen voogdij over haar kinderen waardoor zij haar dochter niet kan beschermen tegen besnijdenis;
vrees voor ex-man omdat hij de rechtsgeldigheid van de khoul scheiding niet zou erkennen en het nieuwe huwelijk kwalificeert als overspel.
6.1
Verweerder gelooft het eerste asielmotief wel, maar het tweede en derde asielmotief niet. Eiseres heeft haar vrees voor haar ex-man met een Facebook bericht met vertaling niet aannemelijk gemaakt, omdat uit dit bericht niet blijkt dat de ex-man van eiseres haar dreigt te vermoorden of dat hij de kinderen schade zal toebrengen. Ook is er geen nieuwe informatie die aantoont dat haar ex-man het hertrouwen van eiseres als zina (overspel) beschouwt of dat dit zal leiden tot eerwraak. Verweerder betwist niet dat de vader van de kinderen agressief en gewelddadig gedrag heeft vertoond, maar daarmee is de gestelde vrees niet aannemelijk gemaakt. Uit het verslag van Re-Care blijkt een melding van de kinderen over het fysieke geweld van hun vader. Verweerder meent dat de filmpjes van Sheikh Al Azhar die door de ex-man aan de vader van eiseres is gestuurd, onvoldoende zijn om een concrete en reële dreiging aan te tonen. Uit de door eiseres overgelegde dagvaarding van 17 april 2022 blijkt niet dat eiseres daadwerkelijk het zorgrecht voor haar kinderen zal verliezen en dat deze naar haar ouders zal gaan. Het is volgens verweerder niet aannemelijk dat de kinderen in het geval van verblijf bij haar ouders te maken zullen krijgen met ernstige schade, zoals besnijdenis. Eiseres heeft een aangifte van bedreiging door haar ex-man overgelegd, maar dit is onvoldoende. Verder blijkt uit de overgelegde dagvaarding van 22 april 2022 niet dat eiseres het verzorgingsrecht voor haar kinderen al is afgenomen. Eiseres heeft in de vorige procedure niet aannemelijk gemaakt dat de kinderen persoonlijk te vrezen hebben voor besnijdenis.
6.2
Verweerder wijst de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw af als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft een opvolgende aanvraag ingediend, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres moet Nederland binnen 4 weken verlaten op grond van het terugkeerbesluit van 17 december 2020 en krijgt een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
In welke mate is verweerder gebonden aan de eerdere uitspraak van de rechtbank?
7. Eiseres heeft in 2020 een asielaanvraag ingediend die door verweerder is afgewezen. Het beroep tegen dat besluit is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is in hoger beroep bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van die aanvraag definitief is geworden. Deze zaak gaat over de hierop volgende asielaanvraag. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielmotieven opnieuw beoordeeld. Verweerder heeft in dat kader meerdere keren aangesloten bij overwegingen in de eerdere uitspraak van de rechtbank. Volgens verweerder is hij daaraan gebonden. Daarom komt de vraag op in welke mate dat het geval is.
7.1
Er is sprake van een opvolgende asielaanvraag. Voor het in behandeling nemen van een dergelijke aanvraag is het volgens vaste jurisprudentie nodig dat een vreemdeling ‘nieuwe relevante elementen en bevindingen’ inbrengt. Niet in geschil is dat eiseres in deze zaak dat heeft gedaan. Zij heeft nieuwe bewijsstukken ingebracht die relevant zijn voor haar asielaanvraag. De stukken hebben onder andere betrekking op haar persoonlijke situatie, zoals het bewijs dat eiseres is hertrouwd en medische informatie en informatie over de situatie in Egypte. Ook hebben ze betrekking op de vrees voor haar ex-man, zoals bewijs van de gestelde bedreigingen via Facebook, dreigbrieven en bewijs van het doen van aangifte bij de politie in Nederland. Ten slotte hebben ze betrekking op de gestelde vrees voor besnijdenis van haar dochter, zoals Egyptische juridische documenten over een lopende procedure die de ouders van eiseres hebben ingesteld over het zorgrecht over de dochters.
7.2
De eerdere uitspraak van de rechtbank heeft betrekking op dezelfde asielmotieven die verweerder nu heeft onderkend: de vrees voor de ex-man van eiseres en de vrees dat de dochters van eiseres bij terugkeer worden besneden. De in deze procedure ingebrachte nieuwe bewijsmiddelen hebben gezien de vorige overweging betrekking op beide asielmotieven. Voor beide asielmotieven is dus sprake van een nieuw samenspel van gegevens, dat bestaat uit de nieuwe elementen en bevindingen in combinatie met de elementen en bevindingen uit de voorgaande procedure. Hierover had verweerder zich voorafgaand aan de nieuwe aanvraag nog niet uitgelaten. De in rechte vaststaande eerdere geloofwaardigheidsbeoordeling gaat dus niet automatisch over dat samenstel van gegevens, omdat de combinatie van deze gegevens weer nieuwe bevindingen kan opleveren. Dit betekent dat verweerder naar aanleiding van de nieuwe aanvraag beide asielmotieven opnieuw heeft moeten beoordelen. Dit heeft hij ook gedaan. De vraag is of hij daarbij op juiste wijze is omgegaan met de eerdere uitspraak.
7.3
In de eerdere uitspraak stelde de rechtbank vast dat eiseres niet had bestreden dat de vrees niet te herleiden is tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank is daarom hier niet verder op ingegaan. Sinds die uitspraak is echter nieuwe jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) gewezen over de erkenning van vrouwen als bijzondere sociale groep. [4] Daaruit blijkt volgens eiseres dat de asielmotieven van eiseres wel te herleiden kunnen zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres heeft zich in beroep op één van deze arresten beroepen, te weten het arrest W.S. [5] . Omdat deze jurisprudentie nieuw is, acht de rechtbank verweerder niet gebonden aan het oordeel van de rechtbank op dit punt. Verweerder heeft de nieuwe jurisprudentie bij zijn bestreden besluit moeten betrekken.
7.4
In de eerdere uitspraak heeft de rechtbank verder geoordeeld dat eiseres bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [6] loopt. Over de vrees voor de besnijdenis overwoog de rechtbank dat verweerder mocht tegenwerpen dat eiseres, nadat zij in Egypte haar moeder met haar tante had horen bellen over besnijdenis, niet sneller vertrokken was en nadien ook nog een tijd terug is geweest met haar dochters bij haar ouders. Ook mocht verweerder tegenwerpen dat eiseres alleen vermoedde dat haar ex haar dochters wilde besnijden. De rechtbank overwoog dat hieraan niet afdeed de verklaringen van eiseres over haar problematische situatie, de gedetailleerde verklaringen over de dreigende besnijdenis, dat zij nergens anders heen kon, dat de familie traditioneel of conservatief is, dat het niet gevaarlijk was voor haar dochters omdat zij in de buurt bleef, dat zij grote angst heeft voor haar schoonouders en dat zij uit angst voor corona was teruggekeerd naar Egypte. De landeninformatie was niet relevant omdat het niets zegt over de persoonlijke situatie van eiseres, aldus de rechtbank in de eerdere uitspraak. Volgens verweerder blijkt hieruit dat eiseres ook nu geen persoonlijk risico loopt dat haar dochters worden besneden. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder hiermee dat hij moet oordelen over het nieuwe samenstel van gegevens over de gestelde vrees voor besnijdenis van haar dochters. Het nieuwe samenstel zou hier een ander licht op kunnen werpen. Er mag daarbij wel worden tegengeworpen dat eiseres niet eerder bij haar ouders was vertrokken en ook weer is teruggekeerd. De hiervoor genoemde omstandigheden die volgens de rechtbank niet afdeden aan het mogen doen van de tegenwerping, kunnen echter in de licht van het nieuwe samenstel van gegevens wel tot een andere conclusie over de gestelde vrees leiden.
7.5
De rechtbank volgde in de vorige procedure ook verweerders standpunt dat de vrees voor haar ex-man en zijn familie niet aannemelijk was. De rechtbank begrijpt uit de eerdere procedure dat dit het geval was omdat eiseres zonder problemen in Egypte verbleef terwijl haar voormalige familie al op de hoogte was van de voorgenomen echtscheiding en omdat de enkele stelling van eiseres dat de bedreigingen van latere datum waren die vrees niet aannemelijk maakt. Het nieuwe samenstel van elementen en bevindingen kan ook op deze gestelde vrees een nieuw licht werpen. Verweerder is dus niet aan de eerdere conclusie van de rechtbank gebonden en moet een nieuwe beoordeling maken.
7.6
De conclusie is dat verweerder in beperkte mate is gebonden aan de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft aan de hand van het nieuwe samenstel van gegevens moeten beslissen over de asielmotieven van eiseres. Daarbij heeft hij de nieuwe jurisprudentie van het Hof moeten betrekken. In deze uitspraak zal deze conclusie worden meegenomen.
Welk juridisch kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling is van toepassing?
8. De rechtbank constateert dat per 1 juli 2024 de “Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)” (WI 2024/6) in werking is getreden. De voornemens zijn van vóór die datum en het bestreden besluit van na die datum. In het bestreden besluit staat dat rekening wordt gehouden met het nieuwe beleid en wordt verwezen naar paragraaf C1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), waarin WI 2024/6 is opgenomen. In beroep is echter gebleken dat verweerder heeft willen aansluiten bij de eerdere werkinstructie: Werkinstructie 2014/10. Eiseres is hiermee akkoord gegaan. Daarom gaat de rechtbank in beroep uit van het van toepassing zijn van dat beleid. WI 2024/6 wordt niet meegenomen in deze uitspraak.
Heeft verweerder de gestelde vrees voor het ontnemen van het zorgrecht en de besnijdenis van de dochters van eiseres ongeloofwaardig kunnen vinden?
9. Eiseres voert aan dat zij hertrouwd is en dat zij daarom het verzorgingsrecht over haar kinderen zal verliezen aan haar ouders, als ook dat haar ouders haar dochters zullen laten besnijden, zoals zij dat ook bij eiseres hebben laten doen. Ook stelt zij dat zij vreest dat haar ex of zijn familie de dochters zullen laten besnijden. Eiseres verwijst daarbij naar een beschikking van een vergelijkbare zaak waarin vanwege deze vrees een vergunning is verleend. Ze doet daarmee een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verder wijst eiseres erop dat zij als hertrouwde vrouw in Egypte tot een “specifieke sociale groep” behoort zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en uitgelegd in het arrest W.S. In dat arrest onderkent het Hof dat vrouwen die zich onttrekken aan sociale of religieuze normen aangemerkt kunnen worden als een “specifieke sociale groep” en dat gender gerelateerd geweld tegen vrouwen erkend moet worden als een vorm van vervolging, aldus eiseres.
9.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de dagvaarding van 17 april 2022 niet is aangetoond dat eiseres daadwerkelijk het verzorgingsrecht over haar kinderen is kwijtgeraakt. Er is geen uitspraak overgelegd waaruit blijkt dat het zorgrecht is overgedragen, en zolang een rechtelijke uitspraak ontbreekt, staat niet vast dat zij dit recht heeft verloren. Volgens het Egyptisch familierecht kan een moeder haar verzorgingsrecht verliezen bij hertrouwen, waarbij het recht kan overgaan naar haar ouders of ex-partner. Dit vormt echter geen concreet en individueel risico op verlies van voogdij, maar slechts een toekomstige mogelijkheid. Verder blijkt volgens verweerder uit landeninformatie dat voogdijgeschillen in Egypte door familierechtelijke autoriteiten worden beoordeeld met inachtneming van het belang van het kind. Verder is in de eerdere uitspraak van deze rechtbank in rechte vast komen te staan dat de gestelde vrees voor besnijdenis ongeloofwaardig kon worden geacht. Dat eiseres zelf is besneden maakt niet dat zij of haar dochters een concreet risico bestaat op een hernieuwde of toekomstige besnijdenis, aldus verweerder.
9.2
Verweerder heeft de gestelde vrees voor besnijdenis van de dochters vanwege de lopende procedure in Egypte niet gevolgd. De rechtbank volgt de daarvoor door verweerder gegeven motivering niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
9.2.1
Eiseres is na haar echtscheiding hertrouwd. Uit landeninformatie volgt dat dit een negatieve invloed heeft op haar juridische en maatschappelijke positie in Egypte. In de ingebrachte landeninformatie staat bijvoorbeeld dat in Egypte hertrouwen in het maatschappelijk verkeer als overspel kan worden aangemerkt met alle gevolgen van dien. Ook leidt het tot mogelijk verlies voor de moeder van haar ouderschapsrechten. Eiseres heeft verder een aantal stukken ingebracht over een juridische procedure. Dit betreft onder andere een verzoekschrift met vertaling waaruit blijkt dat de ouders van eiseres hebben verzocht om overdracht van het zorgrecht over de dochter van de moeder (eiseres) op de grootmoeder (de moeder van eiseres). Haar ouders in Egypte zijn dus jegens haar een procedure gestart met als doel het verzorgingsrecht over haar dochters te ontnemen.
9.2.2
Verweerder heeft de gestelde procedure erkend, als ook dat de relatie tussen eiseres en haar ouders is verstoord en dat bij hertrouwen de mogelijkheid bestaat dat het zorgrecht wordt afgenomen. Deze mogelijkheid heeft eiseres in het gehoor opvolgende aanvraag toegelicht en op zitting heeft zij dit verder verduidelijkt. Zij stelt dat het volgens de islamitische leefregels niet wenselijk is dat bij hertrouwen van een moeder de nieuwe echtgenoot voor de kinderen gaat zorgen van de voormalige echtgenoot. Verweerder heeft dit niet bestreden. Daaruit volgt dat eiseres persoonlijk het reële risico loopt dat haar zorgrecht over haar dochters wordt afgenomen. Dit zorgrecht was haar na de echtscheiding resterende recht over haar kinderen. Het resterende recht, volgens de landeninformatie de wettelijke vertegenwoordiging, rust bij haar ex. Eiseres heeft verklaard dat de procedure in Egypte stil ligt totdat zij naar Egypte terugkeert en dat de kans zeer groot is dat zij dan het zorgrecht zal kwijtraken aan haar ouders. Verweerder heeft dit, mede gezien de door eiseres ingebrachte landeninformatie, niet afdoende bestreden. Dat het een onzekere toekomstige gebeurtenis is, betekent immers niet dat eiseres daarvoor niet vreest of dat die vrees niet gerechtvaardigd is. Uit landeninformatie blijkt dat de kans reëel is dat de rechten van een moeder over haar kinderen worden ontnomen na echtscheiding en/of hertrouwen. [7] Verweerder heeft terecht gesteld dat er geen bewijs is dat het zorgrecht al is overgegaan. Maar dat doet niet af aan het risico. Ook heeft verweerder in dit kader nog gesteld dat islamitisch familierecht niet automatisch een mensenrechtenschending of vervolging betekent. Dat moge zo zijn, in de situatie van eiseres is geen sprake van een algemeen beroep op het familierecht in Egypte. Eiseres heeft immers onderbouwd dat haar rechten als moeder in Egypte vanwege haar persoonlijke situatie worden bedreigd. Dit wijst erop dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt, reeds omdat haar moederschapsrechten kunnen worden ontnomen.
9.2.3
Indien eiseres haar moederschapsrechten verliest aan haar ouders, leidt dat volgens eiseres ertoe dat haar dochters het risico lopen te worden besneden. Daarbij is relevant dat dan de rechten over haar dochters in zijn geheel niet meer bij eiseres, maar bij haar ouders en haar ex komen te liggen. In dit verband is van belang dat verweerder niet heeft bestreden dat de ouders van eiseres conservatief zijn en de relatie met de ex-man van eiseres ook is verstoord (zie 10 en verder). Verder blijkt uit landeninformatie dat de omstandigheid dat een moeder is besneden de kans vergroot dat ook haar dochters worden besneden. [8] Dit wijst erop dat de ouders van eiseres hun kleindochters gelijk aan hun dochter zullen behandelen. In de vorige procedure is tegengeworpen dat eiseres in 2019 en 2020 met haar dochters bij haar ouders kon zijn, ondanks dat haar moeder met een tante had gebeld over besnijdenis. In dat verband had eiseres aangevoerd dat haar dochters veilig waren zolang zij bij hen in de buurt was, hetgeen de rechtbank toen minder relevant heeft geacht. Het stemt echter wel overeen met hetgeen zij thans stelt, namelijk dat zij bij het verlies van haar zorgrecht haar dochters in Egypte niet meer kan beschermen. Het is aan verweerder om hierop nader in te gaan. Het enkele standpunt van verweerder dat geen sprake is van een ‘concrete dreiging’, is niet genoeg. Weliswaar blijkt uit de stukken geen concrete dreiging dat de ex-man of zijn familie de dochters willen besnijden. De dreiging vanuit de ouders van eiseres lijkt echter juist reëel gezien het voorgaande. Dat er geen persoonlijk risico is voor de dochters om te worden besneden, volgt de rechtbank zonder nadere toelichting ook niet. De meisjes zijn minderjarig en daardoor extra kwetsbaar voor druk van hun familie.
9.3.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder de gestelde vrees voor de ex-man vanwege de bedreigingen ongeloofwaardig kunnen vinden?
10. Eiseres voert in verband met de gestelde bedreigingen door haar ex aan dat ook niet-originele documenten, zoals kopieën, een rol kunnen spelen. Eiseres voert ook aan dat de dreigingen die zij ontvangt van de vader van de kinderen minder direct wordt gecommuniceerd. Eiser spreekt over ‘high context’ communicatie versus de Nederlandse ‘low context’ uitleg van de communicatie. Verweerder dient de berichten van Facebook en Whatsapp ook te betrekken. Het toesturen van het filmpje met een sjeik die een vers uit de koran citeert, is een voorbeeld van dreigende communicatie. Eiseres doet ook in dit verband een beroep op het arrest W.S., waarin onderkend wordt dat vrouwen die zich onttrekken aan sociale of religieuze normen aangemerkt kunnen worden als een sociale groep. Verder heeft verweerder zich gebaseerd op verouderde landeninformatie, aldus eiseres.
10.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vader van de kinderen van eiseres in Noord-Amerika verblijft en dat er geen sprake is van voldoende concrete, individuele en actuele vrees. Eiseres heeft geen bewijs geleverd van een daadwerkelijk dreiging, handhaving of pogingen tot confrontatie. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de gestelde vrees voor de ex-echtgenoot reeds in de eerdere procedure door de rechtbank als ongeloofwaardig is beoordeeld. Dit oordeel staat in rechte vast en wordt niet weersproken door de in deze procedure overgelegde stukken. Omdat eiseres haar gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt, slaagt haar beroep op het arrest W.S. niet en kan ook het arrest K.L. [9] haar niet baten.
10.2
De rechtbank volgt de door verweerder gegeven motivering niet. Ter toelichting dient het volgende.
10.3.
Eiseres heeft informatie ingebracht over een filmpje van een sjeik, waarvan zij stelt dat haar ex die aan haar ouders heeft toegezonden, waarna zij die ontving. Hetgeen verweerder hierover stelt, is niet duidelijk. Verweerder stelde in het voornemen van 3 mei 2023 dat niet duidelijk is of haar ex dit werkelijk had toegezonden, maar stelde in het besluit dat het toezenden van het filmpje de dreiging niet verduidelijkt. Dit wijst erop dat verweerder na de zienswijzen niet langer bestrijdt dat de ex dit filmpje heeft toegezonden aan de ouders van eiseres. Aangezien de inhoud van het filmpje niet in geschil is, namelijk dat de sjeik zich uitspreekt tegen hertrouwde vrouwen, kan dit als een indirecte bedreiging jegens eiseres worden aangemerkt. Verweerder heeft dit door het niet verschijnen op de zitting niet kunnen uitleggen. De onduidelijkheid is daarmee een motiveringsgebrek.
10.4
Eiseres heeft verder meerdere nieuwe bewijsmiddelen over de gestelde bedreigingen ingebracht, waaronder:
- Facebookberichten van haar ex-man uit september 2022 met vertaling. Hierin staat dat hij “de meisjes zal krijgen” op grond van de wettelijke voogdijregels in Egypte en dat eiseres dan nooit meer iets van hen zal horen;
- twee handgeschreven briefjes met enveloppen met stempels 1 januari 2025 en 2 april 2025, met vertaling;
- een proces-verbaal van aangifte bij de politie in Nederland van 7 januari 2025 vanwege fysieke en mentale mishandeling. De aangifte gaat over de mishandelingen van de dochters door hun vader in het verleden en de ontvangst van een dreigbrief van de ex op 1 januari 2025;
- bewijzen van communicatie over het verkrijgen van identificatiemiddelen voor de dochters en de problemen die daarbij zijn ontstaan met hun vader.
10.4.1
Verweerder heeft over deze bewijsmiddelen het volgende gesteld. Uit de Facebookberichten blijkt niet dat de ex eiseres of haar dochters wil vermoorden of ernstige schade wil aandoen. Bij de handgeschreven briefjes zijn herkomst, authenticiteit, datum en omstandigheden van totstandkoming onduidelijk, zodat de bewijskracht aanzienlijk wordt aangetast. Daarnaast zijn deze documenten pas in beroep ingebracht zodat deze niet kunnen afdoen aan het eerder vastgestelde oordeel over de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. De aangifte is alleen gebaseerd op informatie van eiseres zelf zodat er maar beperkte waarde aan wordt gehecht, aldus verweerder.
10.4.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat geen volledige bewijswaarde aan de voornoemde bewijsmiddelen kan worden gehecht. Zowel de Facebookberichten als de handgeschreven briefjes zijn geen authentieke bewijsmiddelen afkomstig van een objectieve bron. De aangifte is verder inderdaad gebaseerd op door eiseres en één van haar dochters verstrekte informatie. Verweerder heeft echter niet uitgelegd op welke wijze met de beperktere bewijswaarde van de bewijsmiddelen rekening is gehouden. Dit had wel gemoeten. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest L.H. [10] Er lijkt verder uit te blijken dat de ex-man zich bedreigend heeft geuit jegens eiseres en haar dochters. Verweerder is echter niet ingegaan op de verhouding hiertussen en de verklaringen van eiseres over haar vrees voor haar ex.
10.5
Verder heeft verweerder zich in dit verband beroepen op de eerdere beslissing van deze rechtbank over dit asielmotief. Hiermee heeft verweerder zich ten onrechte gebonden geacht aan de eerdere uitspraak van de rechtbank. Er kan maar beperkt waarde worden gehecht aan de voorgaande procedure vanwege de nieuw ingebrachte relevante elementen en het daaruit volgende nieuwe samenstel (zie 7.7).
10.6
De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit niet betwist dat de ex-man en vader agressief of gewelddadig gedrag heeft vertoond. Volgens verweerder leidt dit niet tot gegronde vrees, ook omdat de ex in Noord-Amerika woont. Hieruit leidt de rechtbank af dat verweerder in de besluitvorming geen rekening heeft gehouden met de voorgeschiedenis. Verweerder heeft weliswaar expliciet erkend dat de vader eerder gewelddadig was, maar uit de stukken lijkt te volgen dat de dochters gedurende circa drie jaar tegen de wil van eiseres bij hun vader hebben verbleven, dat het contact met eiseres toen werd belemmerd en dat de dochters met veel moeite naar Nederland zijn gehaald. Verweerder dient dit alsnog bij de beoordeling te betrekken. De omstandigheid dat de ex-man in Noord-Amerika woont, betekent niet dat het risico niet bestaat. Niet in geschil is immers dat er familie van hem in Egypte woont en ook blijkt uit de voorgeschiedenis dat hij zich niet door landgrenzen lijkt te beperken.
10.7
De rechtbank overweegt verder dat net als bij het andere asielmotief relevant is (zie 9.2.1) dat eiseres hertrouwen een negatieve invloed heeft op haar juridische en maatschappelijke positie in Egypte, ook jegens haar ex-echtgenoot. Voorts blijkt uit landeninformatie dat na de echtscheiding het zorgrecht van de moeder bij meisjes vervalt bij het bereiken van de 15-jarige leeftijd, waarna de vader volledige zeggenschap krijgt. De oudste dochter van eiseres, [naam 2] , is bijna 15 jaar oud. Niet duidelijk is of en zo ja op welke wijze verweerder hiermee rekening heeft gehouden. Overigens kan dit ook relevant zijn in verband met de gestelde vrees voor besnijding.
10.8
De rechtbank overweegt ten slotte dat de bedreigingen inderdaad niet heel concreet zijn. Dit betekent echter op zich nog niet dat geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Verweerder dient in dit kader eerst in te gaan op de voornoemde motiveringsgebreken. Verder heeft eiseres zich beroepen op de culturele context, waardoor de ex-echtgenoot meer indirect communiceert. Het is niet duidelijk op welke wijze verweerder hiermee rekening heeft gehouden.
10.9.
De beroepsgrond slaagt.
Kan sprake zijn van vluchtelingschap vanwege het behoren tot een bijzondere sociale groep?
11. Eiseres heeft gesteld dat zij als moeder die is gescheiden en hertrouwd in Egypte tot een bijzondere sociale groep behoort, gezien de huidige jurisprudentie van het Hof. Ook beroept ze zich op haar persoonlijke omstandigheden, zoals haar psychische situatie.
11.1
Verweerder heeft in het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de mogelijkheid dat eiseres tot een bijzondere sociale groep behoort en om die reden als vluchtelinge moet worden aangemerkt. Dit is een motiveringsgebrek. Verweerder had moeten onderkennen dat dit speelde in deze zaak. Verwezen wordt naar de in 7.3 aangehaalde jurisprudentie van het Hof.
11.2
Verweerder heeft – in de loop van deze procedure – in algemene zin erkend dat eiseres als vrouw op zich tot een bijzondere groep zou kunnen horen en dat zij om die reden vluchteling zou kunnen zijn, ondanks dat sprake zou zijn van niet-statelijke actoren. Dit uitgangspunt acht de rechtbank juist. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder vervolgens echter onvoldoende ingegaan op het standpunt van eiseres dat juist zij hierdoor gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingverdrag. Ter toelichting dient het volgende.
11.2.1
Verweerder heeft in dit verband in het verweerschrift gesteld dat de noodzakelijke individuele, aannemelijke vrees ontbreekt. Daarbij is verweerder ingegaan op de gestelde vrees van eiseres voor haar ex-man en zijn familie. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank miskend dat ook het andere asielmotief, namelijk dat eiseres vreest haar zorgrecht over haar dochters te verliezen en dat daardoor mogelijk haar dochters ook worden besneden, hier een rol speelt. Het afnemen van de moederschapsrechten op zich kan al een daad van vervolging jegens eiseres inhouden. Hier moet verweerder op in gaan.
11.2.2
Verweerder is in het verweerschrift vervolgens wel ingegaan op de vraag of de persoonlijke omstandigheden van eiseres – “haar echtscheiding, hertrouwen, verblijf buiten Egypte en de aanwezigheid van de dochters uit haar eerste huwelijk” – reden zijn om aan te nemen dat zij “een reëel risico loopt op vervolging”. Mogelijk is hiermee bedoeld mede in te gaan op de vraag of eiseres tot een bijzondere sociale groep behoort. De verwijzing van verweerder in dit verband naar het eerdere oordeel van de rechtbank is gelet op hetgeen hierboven is overwogen echter in ieder geval onvoldoende (zie 7.3). Verder stelt verweerder dat uit landeninformatie niet blijkt dat gescheiden en hertrouwde vrouwen, dan wel vrouwen die zich niet geconformeerd hebben aan bepaalde sociale normen, systematisch worden blootgesteld aan vervolging in Egypte. Verweerder erkent wel dat uit het Egyptisch familierecht volgt dat een hertrouwde vrouw het verzorgingsrecht over haar kinderen kan verliezen aan haar ouders of aan haar ex-partner als die daarom vragen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het zijn van een hertrouwde vrouw in Egypte op zich niet genoeg hoeft te zijn om aan te nemen dat daarom al sprake is van een risico op vervolging. Verweerder heeft echter onvoldoende betrokken dat eiseres wel heeft onderbouwd dat juist zij daar in persoon aan zal worden blootgesteld. Verwezen wordt naar het in 9.2.1 en 9.2.2 overwogene. Daaruit volgt dat eiseres de reële kans loopt haar zorgrecht over haar dochters bij terugkeer te verliezen. Verder is hierbij van belang dat eiseres ernstige psychische problemen heeft. Eiseres heeft in de opvang zelfs een suïcide poging gedaan. Eiseres heeft gesteld dat zij hierdoor nog meer risico op problemen loopt bij terugkeer in Egypte. Verweerder is hier onvoldoende op ingegaan.
11.3
Verweerder dient in het kader van de beoordeling de ingebrachte landeninformatie kenbaar te betrekken. Daarbij wijst de rechtbank erop dat uit het meest recente ambtsbericht blijkt dat er ernstige lacunes zijn in Egypte met betrekking tot vrouwenrechten en het bestrijden van sociale ongelijkheid. Vrouwen worden institutioneel gediscrimineerd. Egypte behoort tot de landen met de grootste mate van sociaaleconomische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Er zijn aanzienlijke hindernissen om gelijkheid te bewerkstelligen. In de wetgeving, in het bijzonder het familierecht, staan bepalingen die discriminerend zijn voor vrouwen. Dit is met name het geval bij echtscheiding. Het zorgrecht van moeders na echtscheiding voor dochters vervalt bij hun 15e jaar. Gescheiden vrouwen worden doorgaans gediscrimineerd en gestigmatiseerd. Verder komt gendergerelateerd geweld jegens vrouwen voor en verzuimt de overheid hulp te bieden aan slachtoffers daarvan. Eerwraak komt ook voor en er is weinig bescherming tegen dreigende eerwraak vanwege de heersende cultuur en het ontbreken van hulp vanuit de overheid. Genitale verminking kwam in 2025 bij 87% van de vrouwen voor. Er is nog steeds brede steun voor vrouwelijke genitale verminking in Egypte, ondanks dat steeds meer vrouwen er afwijzend tegenover staan. Het komt voor dat vrouwen op leeftijd na 12 jaar worden besneden. Meestal vindt het in groepen plaats, waarbij familieleden uit dezelfde buurt of zelfde familie overeenkomen de dochters te laten besnijden. Als een moeder zelf is besneden is de kans zevenmaal hoger dat de dochter ook wordt besneden. Strafrechtelijk is besnijdenis verboden maar dit wordt niet gehandhaafd, aldus nog steeds het ambtsbericht. [11]
Hebben de dochters van eiseres zelfstandige asielmotieven?
12. Verweerder heeft in het besluit de dochters van eiseres niet als asielzoekers met een zelfstandig asielmotief aangemerkt. Uit het relaas blijkt echter dat zij vrezen voor vrouwelijke genitale verminking (besnijding). Mogelijk zijn zij zelf vluchteling om die reden. Dit betekent dat zij een zelfstandig asielmotief hebben. Hun recht op internationale bescherming is in zoverre niet afhankelijk van het recht van hun moeder. Verweerder heeft dit niet onderkend. Daarmee zijn ook de belangen van hen als kind onvoldoende meegenomen.
12.1
Dat de asielmotieven van de dochters niet eerder op de voorgrond stonden, werd wellicht veroorzaakt doordat de dochters bij de aanvraag aanzienlijk jonger waren. Ook is dit niet als zodanig gepresenteerd bij de aanvraag. Het betekent echter niet dat verweerder dit niet had moeten onderkennen. Het is aan verweerder om ook ten aanzien van de dochters van eiseres een besluit te nemen op de asielaanvraag.
Had verweerder eiseres moeten horen?
13. Eiseres heeft gesteld dat het horen onzorgvuldig is geweest. Het gehoor was te kort, er is te weinig doorgevraagd en het verslag voldoet niet. Verweerder heeft dit bestreden.
13.1
De rechtbank volgt eiseres erin dat het horen onvoldoende zorgvuldig is geweest. Hierbij is ten eerste van belang dat bijna drie jaar zijn verlopen sinds haar gehoor opvolgende aanvraag en het uitreiken van het bestreden besluit. In die periode zijn een groot aantal nieuwe bewijsstukken ingebracht. Van de in totaal 30 ingebrachte bewijsstukken, waren er slechts 5 ingebracht ten tijde van het gehoor. Over de andere bewijsstukken is eiseres nooit persoonlijk bevraagd.
13.2
Ten tweede heeft verweerder ten onrechte de dochters van eiseres niet gehoord. Het niet horen van de dochters was ten tijde van het indienen van de asielaanvraag mogelijk niet onlogisch. [naam 2] was toen nog geen 12 jaar oud en [naam 1] net 10 jaar oud. Door het grote tijdsverloop sinds de aanvraag en de beslissing (bijna drie jaar) is het horen thans echter meer relevant geworden, terwijl verweerder verantwoordelijk moet worden geacht voor het grootste deel van dit tijdsverloop. Ten tijde van het horen van eiseres waren de dochters inmiddels een jaar ouder en ten tijde van het bestreden besluit waren zij bijna 15 respectievelijk bijna 13 jaar oud. Daarbij komt dat [naam 2] inmiddels heeft aangegeven te willen worden gehoord in verband met de vrees voor haar vader en voor vrouwelijke genitale verminking. De rechtbank verwijst ten slotte in dit verband naar recente jurisprudentie van de Afdeling over het horen van minderjarigen. [12] Hieruit blijkt dat verweerder in meer zaken dan gedacht kinderen, zoals de dochters van eiseres, de gelegenheid moet bieden te worden gehoord dan wel informatie aan hen dient te worden verschaft over het recht te worden gehoord. Verweerder dient hiermee rekening te houden bij het te nemen besluit.
13.3
Ten derde kleven er gebreken aan het gehoor van eiseres op 13 april 2023. Daarbij is van belang dat voorafgaand aan het gehoor MediFirst een advies heeft uitgegeven waaruit beperkingen voor het horen blijken. In verband met psychiatrische beperkingen moet eiseres extra ruimte worden gegeven. Ook moet de gehoormedewerker de spanning niet te hoog laten oplopen. Verder heeft eiseres een aandoening waardoor ze ernstige hoofdpijn kan krijgen. Als na 30 minuten de klachten niet verdwijnen moet het gehoor een andere dag worden opgepakt, aldus het advies. Verweerder heeft hiermee niet genoeg rekening gehouden. Bij het gehoor van eiseres geeft eiseres bij de inleiding al aan dat zij een beetje hoofdpijn heeft en heeft overgegeven die ochtend. Wel geeft zij aan dat het gehoor kan doorgaan, waarna de gehoormedewerker expliciet zegt dat ze de tijd gaan nemen voor het gehoor. Hij stelt haar op dat moment dus wel gerust. Ook nadien vraagt hij meerdere keren of ze wel kan doorgaan, hetgeen zij bevestigt. Naar het oordeel van de rechtbank had de gehoormedewerker het gehoor echter toch tussentijds moeten stoppen, mede gezien het advies van MediFirst. Dit blijkt uit het volgende:
- Bij het gehoor kwamen nieuwe feiten aan de orde, te weten het hertrouwen en de nieuwe stukken over de procedure over het zorgrecht. In dit verband bevraagt de gehoormedewerker eiseres over het verkrijgen van die stukken. Zij vertelt dat ze die van haar vader kreeg via haar advocaat. De gehoormedewerker vraagt vervolgens vijf keer achter elkaar waarom haar vader dit zou hebben gedaan. De rechtbank begrijpt hieruit dat de gehoormedewerker zich op dat moment niet aan het advies van MediFirst heeft gehouden. De druk liep door de wijze van bevraging toen hoog op. Naar aanleiding van deze bevraging heeft eiseres zelfs de gehoorruimte verlaten en laste de medewerker een pauze in.
- Eiseres stelt tijdens het gehoor op een gegeven moment aan de orde dat zij wordt bedreigd door haar ex en dat zij daar ook nieuwe documenten over heeft. De gehoormedewerker gaat hier niet verder op in en beperkt zich tot de gestelde procedure over het zorgrecht. Eiseres stelt de bedreigingen aan het einde van het gehoor, bij de afsluiting van het gesprek, opnieuw aan de orde, maar ook dan gaat de medewerker hier niet op in. Dit had wel gemoeten. Dat deze vrees al bij de eerdere asielaanvraag was onderzocht, betekent niet dat dit niet opnieuw moet bij de opvolgende aanvraag.
- Al met al duurt het gehoor één uur en drie kwartier. Dat is niet lang. In die periode loopt eiseres zoals gezegd één keer weg en begint ze een keer daarna te huilen. Dit wijst erop dat de emoties hoog zijn opgelopen in korte tijd.
13.4
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid.
Kan eiseres een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel?
14. Eiseres doet een beroep op een zaak waarin een verblijfsvergunning zou zijn verstrekt aan een Egyptische vrouw met dochters vanwege het risico op vrouwelijke genitale verminking.
14.1
De rechtbank overweegt dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van gelijke gevallen. Alleen dan zou een beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen slagen. Daarom slaagt de beroepsgrond niet.
Het beroep op de kwetsbare gezondheidssituatie van eiseres en de lange duur van de procedure
15. Eiseres voert aan dat zij in 2022 haar asielaanvraag heeft ingediend en dat pas na 2 jaar en 10 maanden een besluit is genomen. Mede hierdoor en de onzekerheid die hieruit voortvloeit, is de mentale en fysieke situatie van eiseres verder verslechterd, aldus eiseres. De medische situatie van eiseres en van haar dochters zijn met medische stukken onderbouwd.
15.1
De rechtbank constateert dat eiseres heeft erkend dat de lange duur van de procedure op zich niet leidt tot de verstrekking van een verblijfsvergunning. Ter zitting is toegelicht dat dit in het kader van het evenredigheidsbeginsel is aangevoerd. De rechtbank overweegt daartoe dat het ook dan geen reden kan zijn om een verblijfsvergunning te verstrekken. Verder is de kwetsbare gezondheidstoestand van eiseres aan de orde gekomen bij de klachten over het horen van eiseres.
15.2
Deze beroepsgrond faalt.
Had verweerder om een individueel ambtsbericht moeten vragen?
16. Eiseres heeft gesteld dat jegens haar een individueel ambtsbericht zou moeten worden opgesteld in verband met de juridische positie van haar en haar kinderen in Egypte. Ter zitting is gesteld dat dit een subsidiair standpunt is, omdat de voorkeur bestaat aanvullend te worden gehoord.
17.1
Omdat de rechtbank hiervoor al concludeert dat eiseres aanvullend moet worden gehoord, wordt deze grond verder niet besproken.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
18. Eiseres heeft ter zitting haar beroep op artikel 3 van Pro het EVRM in het kader van het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod ingetrokken. De rechtbank zal deze grond daarom verder niet bespreken.
De belangen van het kind
19. Eiseres heeft zich beroepen op de belangen van haar dochters. Zij stelt dat daar onvoldoende rekening mee is gehouden.
19.1
De beroepsgrond slaagt. Uit het voorgaande blijkt dat verweerder ten onrechte hen niet de gelegenheid heeft geboden te worden gehoord. Ook heeft verweerder ten onrechte geen zelfstandige asielmotieven bij hen aangenomen. Hun vrees bij terugkeer, namelijk dat zij worden besneden en/of hun vader of hun grootouders het zorgrecht over hen zal krijgen totdat zij volwassen zijn, is daardoor in de besluitvorming niet aan de orde gekomen. Verweerder dient dit alsnog te onderzoeken en hierover te beslissen.

Conclusie en gevolgen

20. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit is in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken omdat aanvullend moet worden gehoord.
21. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daartoe daarom af.
22. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, een verzoekschrift ingediend en heeft aan de zittingen van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank telt één zitting omdat de eerste twee zittingen vanwege problemen met de tolk niet zijn doorgegaan en eiseres daarvoor zelf verantwoordelijk moet worden gehouden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.721,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.NL20.21791.
3.202103514/1/V1 en 202103514/2/V1.
4.16 januari 2024, EU:C:2024:47; 11 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:487; 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:828; 27 maart 2025, ECLI:EU:C:2025:218.
5.16 januari 2024, ECLI:EU:C:2024:47.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.AAB Egypte, november 2021, paragraaf 3.3.8.
8.AAB Egypte, november 2021, paragraaf 3.3.9.
9.Arrest van het Hof, 11 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:487.
10.ECLI:EU:C:2021:478.
11.AAB Egypte, november 2021, pagina’s 72-73, 90-98.