ECLI:NL:RBDHA:2025:20070

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL24.51541
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 besluit nr. 1/80Richtlijn 2001/55/EGArtikel 2, derde lid, UitvoeringsbesluitArtikel 7 Richtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier arbeid op grond van besluit nr. 1/80 wegens ontbreken legale arbeid

Eiser, een Turkse werknemer, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Arbeid in loondienst op grond van besluit nr. 1/80’. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser zijn werkzaamheden niet verrichtte op basis van een onomstreden verblijfsrecht, zoals vereist voor legale arbeid volgens artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80.

Eiser verbleef van maart 2022 tot maart 2024 in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, waarbij hij in loondienst werkte. Hij betoogde dat dit verblijf een onomstreden verblijfsrecht vormde en dat zijn arbeid daarom legaal was. De rechtbank oordeelde echter dat het verblijf op basis van de Richtlijn tijdelijk en onzeker van aard is, waardoor geen sprake is van een stabiele, niet-tijdelijke situatie op de arbeidsmarkt.

De rechtbank verwees naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en het facultatieve karakter van de Richtlijn, die lidstaten beoordelingsruimte geeft. Hierdoor is het verblijfsrecht niet stabiel en kan de arbeid niet als legale arbeid worden aangemerkt. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51541

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. G.J. Douma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Arbeid in loondienst op grond van besluit nr. 1/80’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag om het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht heeft afgewezen. De werkzaamheden van eiser kunnen namelijk niet worden aangemerkt als ‘legale arbeid’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 28 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Arbeid in loondienst op grond van besluit nr. 1/80’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft tot 2022 in Oekraïne verbleven en is daarna naar Nederland vertrokken. Hij heeft in Nederland van 4 maart 2022 tot 5 maart 2024 verblijf gehad op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] omdat hij in Oekraïne in het bezit was van een tijdelijke verblijfsvergunning, anders dan een verblijfsvergunning op asielrechtelijke gronden (verblijf als derdelander). In afwachting van een uitspraak van het Hof van Justitie mocht eiser langer gebruikmaken van de rechten die onder deze Richtlijn zijn verleend, waaronder het recht om te werken. Eiser is vanaf 6 juni 2022 in loondienst werkzaam bij D.C.U. B.V. Op 28 februari 2024 heeft eiser in verband met deze werkzaamheden een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 6 van Pro besluit nr. 1/80.
Toetsingskader
4. Een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort, kan op grond van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie veronderstelt het begrip ‘legale arbeid’, zoals bedoeld in deze bepaling, een stabiele en niet-tijdelijke situatie op de arbeidsmarkt en, daarmee, het bestaan van een niet omstreden verblijfsrecht. [2] Dit betekent dat eiser zich niet in een precaire situatie mag bevinden die op elk moment ter discussie kan worden gesteld. [3] Of van deze situatie sprake is, vergt een beoordeling van zijn verblijfsrechtelijke situatie. Volgens de Werkinstructie 2023/1 [4] is sprake van een onomstreden verblijfsrecht in Nederland wanneer de Turkse onderdaan een geldige nationale verblijfsvergunning of een declaratoir verblijfsrecht heeft.
Is er sprake van legale arbeid zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80?
5. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat er geen sprake is van legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Eiser heeft namelijk zijn werkzaamheden niet verricht op grond van een onomstreden verblijfsrecht. Het verblijf op grond van de Richtlijn is geen onomstreden verblijfsrecht.
5.1.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen sprake is van legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Hij heeft vanaf 6 juni 2022 reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst verricht, voor dezelfde werkgever, waardoor vaststaat dat hij langer dan een jaar arbeid heeft verricht. Hij heeft deze arbeid heeft verricht op basis van een onomstreden verblijfsrecht, omdat hij vanaf 4 maart 2022 rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van de Richtlijn. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt volgens eiser dat het legale karakter van de arbeid [5] niet af hoeft te hangen van het bezit van een legale verblijfstitel. Er dient sprake te zijn van een stabiele situatie op de arbeidsmarkt die niet van tijdelijke aard is. [6] Volgens het Hof van Justitie is van legale arbeid geen sprake wanneer Turkse werknemers werken terwijl hun aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen en zij in afwachting zijn van bezwaar of beroep. [7] Maar zijn situatie is anders, omdat hij vanaf 4 maart 2022 tot 5 maart 2024 in het bezit was van een Vreemdeling Identiteitsbewijs (VI) Type O (O-document) op grond van de Richtlijn, waarbij arbeid vrij is toegestaan. Daarom is sprake van een onomstreden verblijfsrecht en ook van legale arbeid, aldus eiser.
5.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Hoewel eiser langer dan één jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt, kan deze arbeid niet worden aangemerkt als legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat verblijf op grond van de Richtlijn tijdelijk is en dat er dus geen sprake is van een niet-stabiele situatie op de arbeidsmarkt. [8]
5.2.1.
Zoals blijkt uit overweging 13 van de preambule van de Richtlijn, heeft de tijdelijke bescherming een uitzonderlijk en tijdelijk karakter. Eiser, een Turkse onderdaan, valt onder de facultatieve bepaling van de Richtlijn, die lidstaten beoordelingsruimte biedt om zelf te bepalen of en voor wie, op welk tijdstip en voor welke duur zij deze bescherming toepassen. [9] Dit verblijfsrecht is daardoor in zijn aard niet stabiel. De wijze waarop Nederland toepassing heeft gegeven aan deze bepaling laat dit ook zien. Er is namelijk meerdere keren sprake geweest van voorgenomen beëindigingen, tijdelijke verlengingen en het afwachten van rechterlijke uitspraken, waardoor voortdurend onzekerheid is ontstaan over de verblijfsstatus van eiser onder deze Richtlijn. Dit betekent dat geen sprake was van een stabiel verblijfsrecht. [10]
5.2.2.
Daar komt bij dat tijdelijke bescherming vooral een instrument is voor lidstaten om bij massale instroom de asielstelsels te ontlasten en geen derde beschermingsvorm is naast een vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming. [11] Het gaat dan ook om een procedureel verblijfsrecht en niet een volwaardig verblijfsrecht.
5.2.3.
Hieruit volgt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 6 van Pro besluit nr. 1/80 dat sprake moet zijn van legale arbeid.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.HvJEU 20 september 1990, ECLI:EU:C:1990:322, punt. 30 (Sevince), 6 juni 1995, ECLI:EU:1995:168, punt 26 (Bozkurt) en 16 december 1992, ECLI:EU:C:1992:527 punten 12 en 22 (Kus).
3.HvJEU 19 november 2002, ECLI:EU:C:2002:694, punt 48 (Kurz).
4.WI 2023/1 Turks associatierecht.
5.In de zin van artikel 6 van Pro besluit nr. 1/80.
6.HvJEU 20 september 1990, ECLI:EU:C:1990:322, punt. 30 (Sevince), 16 december 1992, ECLI:EU:C:1992:527 (Kus) en 26 november 1998, ECLI:EU:C:1998:568 (Birden).
7.HvJEU 20 september 1990, ECLI:EU:C:1990:322, punt. 33 (Sevince).
8.De minister verwijst naar
9.Artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, gelezen in samenhang met artikel 7 van Pro de Richtlijn.
10.Vergelijk Rb. Den Haag, zp Arnhem, 12 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22405, r.o. 5.4.
11.Zie paragraaf 1.4, 2.2 en 5.1 van het voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, COM/2000/0303 def. Zie ook Rb. Den Haag, zp Arnhem, 1 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16410, r.o. 15.2 en 12 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22405, r.o. 5.5.