Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
€ 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig eurocent).
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en twee kinderen. De aanvraag werd ingediend op 12 januari 2024, terwijl de minister uiterlijk 11 juli 2024 had moeten beslissen, inclusief een verlenging van drie maanden. De minister heeft niet binnen deze termijn besloten, waarna eiser op 19 augustus 2024 een ingebrekestelling stuurde en op 9 december 2024 beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en gegrond is. De minister hanteert het fifo-principe voor de behandeling van nareisaanvragen, waardoor de aanvraag van eiser pas in juli 2025 aan de beurt zou zijn. De rechtbank wijst dit verzoek om uitstel af, omdat dit niet verenigbaar is met de aard van het rechtsmiddel en de minister geen overmacht heeft aangetoond.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk wordt meegedeeld. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. De reeds verbeurde bestuurlijke dwangsommen van €1.442 worden aan eiser toegekend, evenals proceskosten van €453,50. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 3 januari 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn en dwangsom op voor het nemen van een besluit.