Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 3 oktober 2023 ontvangen, waarna de minister niet binnen de wettelijke termijn van 21 maanden een besluit nam. Eiser stelde de minister op 22 juli 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat aan de ingebrekestelling en termijnvereisten is voldaan.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Hierbij weegt de rechtbank het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming, het overschrijden van de 21 maanden termijn en het feit dat eiser reeds is gehoord. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde en de zaak alleen over de overschrijding van de beslistermijn gaat. De uitspraak is gedaan door rechter O. Veldman en griffier D.A.M. Delger en is op 16 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.