ECLI:NL:RBDHA:2025:19710
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. Eiser, van Jordaanse nationaliteit, heeft zijn aanvraag ingediend, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze niet in behandeling genomen op basis van de Dublinverordening, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft de zaak op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en dat de asielprocedure in Kroatië niet voldoet aan de vereisten van de mensenrechten. De rechtbank stelt echter vast dat de minister zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag baseren, wat betekent dat hij ervan uit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser heeft niet voldoende bewijs geleverd dat zijn overdracht aan Kroatië zou leiden tot een schending van zijn rechten onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een uitzondering op de Dublinverordening rechtvaardigen. Eiser krijgt geen gelijk en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en is openbaar gemaakt op 24 oktober 2025.