ECLI:NL:RBDHA:2025:19710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.47952
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. Eiser, van Jordaanse nationaliteit, heeft zijn aanvraag ingediend, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze niet in behandeling genomen op basis van de Dublinverordening, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft de zaak op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en dat de asielprocedure in Kroatië niet voldoet aan de vereisten van de mensenrechten. De rechtbank stelt echter vast dat de minister zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag baseren, wat betekent dat hij ervan uit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser heeft niet voldoende bewijs geleverd dat zijn overdracht aan Kroatië zou leiden tot een schending van zijn rechten onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een uitzondering op de Dublinverordening rechtvaardigen. Eiser krijgt geen gelijk en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en is openbaar gemaakt op 24 oktober 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47952
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Jordaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Tihaouna als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Voornemen
5. Eiser voert aan dat de minister gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. De door eiser naar voren gebrachte verklaringen zijn ten onrechte niet gemotiveerd betrokken in het voornemen. Door dit na te laten is de besluitvorming onzorgvuldig tot stand gekomen. Volgens eiser dient het bestreden besluit daarom vernietigd te worden.
6. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Weliswaar is het voornemen in meer algemene bewoordingen gesteld, maar hierin is wel opgenomen wat de minister van plan is te gaan beslissen, namelijk het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag en de voorgenomen overdracht aan Kroatië. Vervolgens is eiser in de gelegenheid gesteld om in zijn zienswijze hierop te reageren. In het besluit is de minister ingegaan op alle relevante elementen, verklaringen en de zienswijze van eiser. Omdat het bestreden besluit ter toetsing voorligt en hierin wel op de standpunten van eiser is ingegaan, ziet de rechtbank geen aanleiding het besluit wegens een tekortschietende voorbereiding te vernietigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de asielprocedure in Kroatië zorgvuldig is en dat er onvoldoende toegang is om hierover te klagen in Kroatië. Hierbij verwijst eiser naar het AIDA-rapport, update 2024. Uit dit rapport volgen ook tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, problemen met vervoer vanaf de luchthaven na overdracht aan Kroatië, pushbacks en een aanzienlijke toename van Dublinclaimanten. Verder verwijst eiser naar de uitspraak van het EHRM van 17 juli 20252. Hieruit volgt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat Kroatië asielzoekers en Dublinclaimanten in strijd met mensenrechten behandeld. Eiser ziet niet in hoe hij zijn mishandeling door de Kroatische autoriteiten beter had kunnen onderbouwen dan met de overgelegde foto’s en medische documenten.
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Kroatië bevestigd in de uitspraak van 10 december 20243 en 20 augustus 20254. Dit betekent dat de minister in beginsel ervanuit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 ECLI:CE:ECHR:2025:0717JUD003877621 (Y.K. v. Kroatië, 38776/21).
9. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraak dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Allereerst geeft het AIDA-rapport, update 2024, geen wezenlijk ander beeld dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Uit dit rapport blijkt dat er wel moeilijkheden zijn in de opvang van asielzoekers, maar niet dat hieruit een schending met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest volgt. De gestelde tekortkomingen op de luchthaven zijn niet structureel en leveren ook geen schending op. In de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 is geoordeeld dat niet blijkt dat de pushbacks betrekking hebben op Dublinclaimanten. De uitspraak van het Hof waar eiser naar verwijst is niet van toepassing op zijn situatie, omdat het in die zaak ging over een illegale vreemdeling die geen “effective remedy” had. Deze verwijzing en eisers verklaringen over de behandeling door Kroatische autoriteiten zijn onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. Eiser verklaart dat hij door de Kroatische autoriteiten, na illegale grensoverschrijding, ernstig is mishandeld. Ter onderbouwing daarvan legt hij een foto over, waarop te zien is dat hij in een ziekenhuisbed ligt met een nekbrace, en verwijst hij naar zijn medisch journaal. Deze informatie geeft steun aan eisers stelling dat hij in Kroatië is mishandeld, maar de minister stelt terecht dat uit deze informatie niet blijkt dat eiser door de Kroatische autoriteiten is mishandeld. Eiser is niet eerder als Dublinclaimant gereguleerd aan Kroatië overgedragen. Voor zover eiser wel door de Kroatische autoriteiten is mishandeld, is het niet aannemelijk dat eiser als Dublinclaimant het risico loopt om eenzelfde behandeling te ondergaan. De Kroatische autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Kroatische autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat dit voor hem niet mogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

10. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat in Kroatië onvoldoende medische zorg aanwezig is. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport, update 2024. Verder maakt eiser deel uit van de LHBTI-gemeenschap en gebruikt hij medicatie voor zijn ernstige depressies. Een overdracht aan Kroatië zal naar verwachting ernstige impact hebben op zijn mentale en fysieke gezondheid hebben, met een reëel en goed onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Om die reden ligt het op de weg van de minister om individuele garanties te vragen voor de overdracht van eiser.
11. Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beschrijft dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen onder andere als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
12. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken, omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Kroatië onevenredig hard is. Eiser heeft niet met objectieve (medische) documenten onderbouwd dat overdracht een risico op aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand met zich meebrengt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 20245 mag de minister ervan uitgaan dat er op dit moment voldoende toegang tot adequate psychische gezondheidszorg in Kroatië is. De rechtbank ziet in de door eiser aangehaalde pagina’s uit het AIDA-rapport geen aanwijzingen dat de gezondheidszorg in Kroatië door de ondergrens zakt. Verder volgt uit pagina’s 117 en 118 van het rapport dat psychische gezondheidszorg voor asielzoekers beschikbaar is en dat er ook verwijzingen hebben plaatsvonden naar psychiatrisch specialisten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder individuele garanties geen toegang heeft tot adequate zorg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie als in het arrest Tarakhel of het arrest C.K. De minister heeft de omstandigheden van eiser onvoldoende mogen vinden om de asielaanvraag niet onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 oktober 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.