ECLI:NL:RBDHA:2025:19700

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.48288
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, een Marokkaanse nationaliteit, tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 3 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland, zoals bevestigd door eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest.

Eiser heeft aangevoerd dat hij onvoldoende is gehoord en dat er zorgen zijn over zijn situatie in Zwitserland, maar de rechtbank oordeelt dat hij voldoende is geïnformeerd en dat zijn bezwaren niet onderbouwd zijn. De rechtbank concludeert dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht aan Zwitserland onevenredig hard zou zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskosten af.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48288
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. de Vries),

en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Fajr als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat of een aan de Dublinverordening gebonden land verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Zorgvuldig gehoor
5. Eiser voert aan dat hij onvoldoende en slecht is gehoord tijdens zijn procedure. Er zijn aan eiser slechts enkele vragen gesteld. Hierdoor kon eiser niet goed overzien wat de gevolgen zouden zijn van overdracht. Ondanks dat eiser heeft gezegd geen bezwaren te hebben tegen overdracht, blijken er duidelijk zorgen van eiser over zijn situatie in Zwitserland.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser is op 4 augustus 2025 gehoord over de vaststelling welk land verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Voorafgaand aan dit gehoor is eiser geïnformeerd over Dublinprocedure en de inhoud van het gehoor. Tijdens het gehoor verklaart eiser dat hij de brochure (Informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden) niet heeft gelezen en hier geen vragen over heeft. Dit is zijn eigen verantwoordelijkheid. Verder verklaart eiser expliciet dat hij geen bezwaar heeft om teruggestuurd te worden naar Zwitserland en zal meewerken aan de overdracht. Hij verklaart dat zijn enige zorg is dat hij in de illegaliteit zal belanden. Eiser licht deze stelling niet toe. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser voldoende is gehoord en dat duidelijk is dat hij geen bezwaren tegen de overdracht heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland zonder nader onderzoek te verrichten. Hiertoe voert eiser aan dat in Zwitserland sprake is van overbevolking en geweld in opvangcentra, een structureel gebrek aan juridische bijstand, belemmeringen in de toegang tot een effectieve asielprocedure, mishandeling van asielzoekers en dat zich een risico op feitelijke dakloosheid na overdracht voordoet. Eiser verwijst hierbij naar pagina’s 103 en 104 van het AIDA-rapport, update 2023. Hierdoor loopt eiser het risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU- Handvest. Ook voert eiser aan dat Zwitserland een restrictief beleid voert ten aanzien van Marokkaanse asielzoekers, de meeste aanvragen worden zonder grondige motivering afgewezen. De minister kent onvoldoende gewicht toe aan eisers kwetsbaarheid, eerdere detentie, psychische problemen en zijn gebrek aan een sociaal netwerk. Klagen bij de Zwitserse autoriteiten is niet mogelijk gelet op de beperkte middelen, taalbarrière en sociale isolatie.
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 4 november 20202 en 12 juli 20243 nog bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
.
Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
9. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Zwitserland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De algemene verwijzing naar het AIDA-rapport, update 2023, is voor de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze verwijzing is onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen. Uit de pagina’s uit het AIDA-rapport, update 2023, waar eiser naar verwijst, volgt dat er rondom 2020/2021 problemen waren met het beveiligingspersoneel. Maar uit die pagina’s volgt ook dat er een strafrechtelijk onderzoek is gekomen, personeel is ontslagen en de opleiding van personeel is verbeterd. Er blijkt dan ook niet dat deze problemen op dit moment nog spelen of dat sprake is van structurele tekortkomingen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten. De enkele stelling dat Zwitserland een restrictief beleid zou voeren tegenover Marokkaanse asielzoekers volgt de rechtbank ook niet. Eisers stelling met betrekking tot zijn kwetsbaarheid is niet onderbouwd en wordt daarom niet door de rechtbank gevolgd. De Zwitserse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de Zwitserse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Als eiser in Zwitserland wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Zwitserse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.

Indirect refoulement

10. Voor zover eiser bedoelt dat hij bij overdracht aan Zwitserland vreest voor indirect refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 20234 en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 12 juni 20245 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij ernstige psychische problemen heeft door zijn ervaringen in Zwitserland. De terugkeer naar Zwitserland roept dan ook sterke gevoelens van onveiligheid op bij hem. Eiser is in Zwitserland gedetineerd geweest en mishandeld. De minister had volgens eiser moeten verzoeken om medische stukken gezien de bekende psychische klachten.
4 ECLI:EU:C:2023:934.
12. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 beschrijft dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
13. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Zwitserland onevenredig hard is. Eiser heeft niet met documenten aannemelijk gemaakt dat terugkeer naar Zwitserland niet van hem gevergd kan worden. Verder oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een situatie als in arrest C.K. Eiser heeft geen objectieve medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat de overdracht voor een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zou zorgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 oktober 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.