ECLI:NL:RBDHA:2025:19426
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens redelijke twijfel over terugkeer
Eiseres, een Pakistaanse vrouw, verzocht om een visum kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan had aangetoond, waardoor redelijke twijfel bestond over haar terugkeer voor het verstrijken van het visum.
De rechtbank toetste de motivering van de minister en concludeerde dat deze de afwijzing deugdelijk had gemotiveerd. De minister had terecht de geringe sociale binding, het ontbreken van een eigen gezin in Pakistan en het ontbreken van een betaalde baan meegewogen. Ook het niet invullen van de vragenlijst door eiseres en het ontbreken van bewijs van garanties van de referent speelden een rol.
Eiseres voerde aan dat eerdere visumverlening en financiële steun van haar echtgenoot een sterkere binding toonden, en dat de minister de hoorplicht had geschonden. De rechtbank verwierp deze gronden, oordeelde dat de minister het bezwaar terecht ongegrond had verklaard en dat het horen van eiseres geen andere uitkomst zou hebben gehad.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werden geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens redelijke twijfel over tijdige terugkeer.