ECLI:NL:RBDHA:2025:19074

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
17 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.8456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking beroep in asielzaak

In deze uitspraak oordeelt de rechtbank Den Haag over het verzoek van eiser om verweerder in de proceskosten te veroordelen na intrekking van zijn beroep. Eiser had eerder een mvv nareis verleend gekregen en een asielaanvraag ingediend. Na een besluit van de minister van Asiel en Migratie om de verleende verblijfsvergunning in te trekken, heeft eiser beroep ingesteld. Echter, op 23 september 2025 heeft de minister medegedeeld dat het bestreden besluit wordt herzien, waarna eiser zijn beroep heeft ingetrokken met een verzoek om proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen, omdat er geen sprake was van 'tegemoetkomen' in de zin van de Awb. De rechtbank concludeert dat de minister het besluit heeft ingetrokken na kennisname van een zienswijze die niet tijdig was ingediend door eiser. Hierdoor is er geen recht op proceskostenvergoeding, en het verzoek van eiser wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8456

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het verzoek van eiser om verweerder in de proceskosten te veroordelen na intrekking van zijn beroep.
1.1
Bij besluit van 13 september 2021 is aan eiser een mvv nareis verleend voor verblijf bij referente in Nederland, die hier een asielstatus op de a-grond heeft.
1.2
Na inreis heeft eiser een zelfstandige asielaanvraag ingediend in Nederland.
1.3
Bij besluit van 8 juni 2022 heeft verweerder ambtshalve een afhankelijke verblijfsvergunning asiel aan eiser verleend op grond van artikel 29, lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
1.3
Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft verweerder deze afhankelijke verblijfsvergunning asiel met terugwerkende kracht vanaf 22 mei 2022 ingetrokken.
1.4
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.5
Op 23 september 2025 heeft verweerder medegedeeld dat het bestreden besluit wordt herzien en dat deze te vervallen komt.
1.6
Eiser heeft het beroep ingetrokken met een verzoek tot proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.7
Verweerder heeft op 25 september 2025 schriftelijk gereageerd op dit verzoek om proceskostenveroordeling.
1.8
Nadat partijen zijn gewezen op hun recht om op een zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank het onderzoek met toestemming van partijen op grond van artikel 8:57 van de Awb gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak - met toepassing van artikel 8:75 van de Awb - in de proceskosten veroordelen.
3. Volgens vaste rechtspraak [1] van de hoogste bestuursrechter is van ‘tegemoetkomen’ in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat binnen de grenzen van het geding valt, heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel vanwege pas in beroep verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende, informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
4. De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb in dit geval geen sprake is. Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken nadat verweerder in beroep had kennisgenomen van het stuk waarvan de gemachtigde van eiser stelt dat dit de door haar ingediende zienswijze tegen het voornemen van 9 december 2024 betreft. De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet kan worden afgeleid dat eiser deze zienswijze op de door haar gestelde datum van 16 januari 2025 of anderszins eerder of later binnen de geldende zienswijzetermijn van 6 weken na het voornemen heeft ingediend bij verweerder. Eiser heeft het tijdig indienen van deze zienswijze ook niet anderszins met stukken of verzendbewijzen van de fax, de aangetekende dan wel gewone post of de e-mail via Zivver aannemelijk gemaakt. De stelling dat verweerder pas in beroep kennis heeft genomen van de zienswijze vanwege interne problemen met de postverwerking bij verweerder is niet met argumenten of bewijsmiddelen onderbouwd. Bij gebreke van bewijs van tijdige indiening van de zienswijze kan de rechtbank in dit geval niet anders oordelen dan dat de inhoud van de zienswijze – wat daar verder ook van zij – pas eerst in beroep verkregen informatie betreft die in dit geval ook buiten de onderzoeklast van verweerder valt. In die omstandigheden is - naar vaste jurisprudentie - met het intrekken van het bestreden besluit geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.
5. Het verzoek van eiser dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen. Dat betekent dat eiser en zijn gemachtigde voor dit ingetrokken beroep geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487.