Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
1.2. De schending van de inspanningsverplichting leidt echter niet zonder meer tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 17 maart 2020 blijkt dat er in dat geval nog ruimte is voor een belangenafweging. [2] 1.3. Eiser merkt terecht op dat bewaring, gelet op de relatief snelle procedure die gemoeid is met overdracht naar Polen, mogelijk niet nodig was geweest als de minister had voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. In dit kader heeft de minister terecht gewezen op de (relatief) beperkte tijd die eiser in strafrechtelijke detentie heeft gezeten (ruim twee weken), het lange strafblad van eiser, de omstandigheden dat eiser heeft aangegeven niet zelfstandig naar Polen te gaan vertrekken en dat hij al eerder is uitgezet naar Polen en weer naar Nederland is teruggekeerd. Hieruit en uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen volgt een significant risico op onttrekking. De minister heeft ter zitting dan ook aangegeven er een groot belang bij te hebben om eiser in bewaring te houden zodat hij kan worden uitgezet naar Polen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat dit al op heel korte termijn staat te gebeuren. Er staat namelijk op 17 oktober 2025 een vlucht gepland naar Polen. Deze omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek en de daardoor geschonden belangen. De door eiser aangehaalde uitspraken zijn niet vergelijkbaar, omdat hier sprake was van langere periodes van strafrechtelijke detentie variërend van vier tot zeven weken. De beroepsgrond slaagt niet.