ECLI:NL:RBDHA:2025:18962
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen verlenging bewaring vreemdeling wegens termijnoverschrijding
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 28 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 22 september 2025 met maximaal twaalf maanden verlengd. Eiser stelde beroep in tegen dit verlengingsbesluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank besloot het onderzoek zonder zitting te doen op basis van het dossier. Zij constateerde dat de wettelijke termijn voor het sluiten van het vooronderzoek en het doen van uitspraak was overschreden, waardoor geen sprake was van een spoedige beoordeling zoals vereist onder artikel 5 lid 4 EVRM Pro. Dit maakte het voortduren van de bewaring vanaf 11 oktober 2025 onrechtmatig.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de bewaring op zich rechtmatig was, omdat eiser niet meewerkte aan zijn uitzetting en de overheid redelijke inspanningen had geleverd om documentatie te verkrijgen. Er was geen sprake van disproportionaliteit of het ontbreken van zicht op uitzetting.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per 14 oktober 2025 en kende een schadevergoeding toe van €400 voor vier dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €907 aan de rechtsbijstandverlener toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt opgeheven per 14 oktober 2025 en een schadevergoeding van €400 wordt toegekend.